0
Je vader is een ouwe rukker

sperm_0

Je baby kijkt je hulpeloos aan. De blik in de ogen is er één van: don’t go. Laat me niet alleen. Eigenlijk doet hij je de handboeien om. Alle spontaniteit is weg. Alle vrijheid is vervlogen. Ik weet nog goed dat een vriend belde om een borrel te drinken. Daar was ik aan toe. Verdomme. Even normale gesprekken. Bier, vrouwen en voetbal. Gewoon de basale zaken des levens. Tenminste, dat dacht ik. Toen we in het café zaten, miste ik mijn mannetje. Ik hield mijn bier met twee handen vast en deed net of het viltje een luier was. De vriend viel het op. En ik moest bekennen: Ja, ik ben vader.

Nou ging dat mij ook niet van zelfsprekend, die zwangerschap. Daar ging een lang en emotioneel traject aan vooraf. Dat lag vooral aan mij, geef ik toe. Mijn zaad was namelijk te langzaam. En mijn zaadcellen hadden ook ‘te weinig vriendjes’. Zo drukte de dokter het uit. ‘Je moet het zo zien’, zei hij, met een hand op mijn schouder, ‘er is één zaadcel die bij de eicel naar binnengaat.’ Hij strekte zijn arm. ‘Maar hij heeft wel vriendjes nodig die de deur voor hem open houden.’

(…)

Ik had dus asociale, langzame cellen. Ik kon het niet mooier maken. Zwijgend zaten we op de bank, mijn vrouw en ik. Ik kon wel leven met een kinderloos bestaan. Maar mijn vrouw was er klaar voor. Die voelde die hormonen roepen, schreeuwen, krijsen zelfs. Eigenlijk was ze al moeder. Zo keek ze. Ze rook ze. Daarom keek ze me aan alsof ze wilde zeggen: doe er iets aan, met je zaadcellen die als hangjongeren voor de eicel hangen, maar niet penetreren.

Toen gingen we weer naar de dokter. ICSI. IVF. Onze dokter zag mijn gezicht betrekken. Er zat een teleurgestelde blik in mijn ogen. Ik voelde me nutteloos. Leeg. Binnensmonds vervloekte ik mijn asociale zaadcellen. Ik was hier zelf de lusteloze zaadcel geworden.

Dus pakte de dokter mij weer bij de schouders. ‘Luister. Je moet het zo zien’, zei hij op zachte toon, ‘Eigenlijk brengen wij jouw zaad per taxi naar het stadion.’ Hij keek naar mijn vrouw. Zij was het stadion. Vervolgens liet hij zien hoe die taxi eruit zag: een klein buisje met een slangetje eraan. Hij keek erbij alsof hij wilde zeggen: zo simpel is het. Kind kan de was doen. En dat zei hij dus ook.

Een week of wat daarna zat ik in een kamertje van vier bij vier in het ziekenhuis met mijn broek op de knieën. Hier moest het gebeuren. Het opwekken van mijn zaad. Er stond een bank. Een televisie. En een buisje, waar ik mijn zaad in moest doen. Dat was dus de taxi.

De muren waren zo dun dat ik alle geluiden op de gang hoorde. De rukkamer lag ook niet in een afgelegen hoekje, nee, die zat midden in het gebouw. Ik hoorde schoonmakers met elkaar praten over een televisieprogramma. En ik hoorde een verpleegster aan Ahmed vragen of hij varkensvlees eet.

Er lag ook materiaal om me te inspireren. Een aan elkaar geplakte Playboy. Een video met de mooie naam: neuk me tussen m’n dikke tieten. De armleuning van de bank was kleverig. Als ik er aan terug denk, ben ik nog steeds trots dat ik me kon focussen. Dat ik uiteindelijk dáár mijn kind heb verwekt. In mijn eentje, terwijl Ahmed tegen Ingrid zei dat hij inderdaad geen varkensvlees at.

Negen maanden later zat ik weer in datzelfde ziekenhuis. Toen mijn uitgebluste vrouw even sliep, ben ik met mijn netgeboren zoon even langs het kamertje gelopen waar het allemaal gebeurd is. Misschien is het verbeelding, maar ik dacht dat hij lachte. Ik lachte terug: en moest toegeven: ja, je vader is een ouwe rukker.

Deze column verscheen eerder bij Fab Mama

admin
Your Name Email Website

*

code