Van een vluchtelingenkamp naar een huis aan de Prinsengracht

Soms lees je verhalen waar je vrolijk van wordt. Bijvoorbeeld dat van Tarek Karboutli, een Syrische vluchteling. Vorige maand zat hij nog in een overvol vluchtelingenkamp in Griekenland, nu woont hij aan de Prinsengracht en traint hij mee met AFC.

Nadat hij zijn verhaal deed in Het Parool, mocht hij de volgende dag in de skybox van Ajax zitten om van daaruit de wedstrijd te bekijken en zijn jeugdheld Edwin van der Sar de hand te schudden.

Karboutli is dankbaar. ‘Ik heb er geen woorden voor’, zegt hij in Het Parool. ‘Marina en Jan (de mensen die hem in huis namen) zijn als een tweede familie voor me. Ze hebben me naar de kapper gebracht en kleding voor me gekocht.’ Hij draagt nu ook een I Love Amsterdam-polsbandje.

In tijden van verkiezingen worden alleen de gruwelverhalen verteld. Van links tot rechts doen politici hun best de wereld als een vreselijke plek te schetsen. Geen erbarmen, geen empathie, geen naastenliefde.

Dit verhaal bewijst het tegendeel. Er is liefde. En wij zijn wel degelijk in staat ons in te leven, en iemand te helpen. Want hoewel we dit soort verhalen veel te weinig horen, ze zijn er wel degelijk.

Mijn vrouw nam vorig jaar een Syrisch stel mee naar huis. Bij hen zag ik dezelfde dankbaarheid als nu bij de Syrische keeper. Ze vinden Nederland leuk. Ze zijn gek op Amsterdam. Ze willen de taal leren en hier werken. Het was hartverwarmend.

Natuurlijk ben ik niet zo naïef, dat ik denk dat alle asielzoekers zo zijn. Maar verhalen van vrolijkheid en dankbaarheid zijn wel belangrijk als tegengif. Door alle negatieve verhalen krijg je een verwrongen beeld van asielzoekers, alsof het jihadisten, aanranders en dieven zijn. Dat is niet zo. De meesten willen gewoon een beter leven. Tarek wil gewoon voetballen. Voor zijn geluk heeft hij geen woorden. Ik wel. ‘Dank.’

Deze column verscheen eerder in De Echo

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *