Patrick Kluivert is pure poëzie

Kluivert. Patrick. Zelfs ik krijg moederlijke gevoelens als ik hem zie. Voor de zoveelste keer is hij in opspraak. Nu weer omdat hij een enorme schuld heeft bij een goksyndicaat.

Kluivert is eigenlijk een gedicht an sich. Die bruine ogen, die je zo lieflijk aankijken, die ondeugende glimlach. Zijn sterke lichaam, zijn loopbaan en zijn luie manier van spreken, het is poëzie die je raakt.

Dat komt vooral door de tragiek die zijn leven tekent. Kluivert dondert al jaren van de grote Olympus af, waar hij als jongen van achttien, in 1995, met een puntertje tegen AC Milan in de Champions Leaguefinale op kwam. Een jongen was het nog. Hij woonde bij zijn moeder, die over hem waakte als een echte Surinaamse moeder.

Het was te vroeg. Als je op je achttiende het belangrijkste doelpunt van je carrière maakt, weet je dat alleen de lange leegte volgt. Hier kom je nooit meer overheen. Ze zeggen dat hij beter was dan Van Basten. Beter dan Bergkamp. Qua techniek misschien, maar hij had niet hun doorzettingsvermogen.

Hij had wel een talent om te ontsporen. Patje kocht een dure auto, reed te hard en doodde iemand. Ook trad hij in het huwelijk met iemand die nu nog steeds diep in het criminele moeras zit. Telkens was er wat. En nu heeft hij dus enorme schulden en gaf hij onderdak aan een crimineel die twee Van Goghs jatte. Dat laatste ontkent hij vervolgens weer, maar ook dat is een patroon.

Kluivert. Het is rauwe poëzie. Ongrijpbaar. Prachtige voeten. Onrustige ogen. Zijn leven vloeit, in dikke stroperige stromen. De rotsen zie je. En hij knalt er ook altijd tegen aan. Maar je ziet ook liefde. Mensen houden van hem, geven hem een kans. Toch schiet hij met die geweldige traptechniek elke keer alles aan gort. Hij kan waarschijnlijk niet anders.

Deze column verscheen eerder in De Echo

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *