Rafelrandje

Al een aantal jaren ligt de stad er goed bij. Goede bestrating, onderhouden huizen en redelijk schoon. Dat komt vooral omdat er veel geld uit de parkeerautomaten komt. Dat geld wordt direct in het onderhoud van de straten gestopt. Zeker vergeleken met andere steden, is Amsterdam een fijne stad. Heel prettig. Maar nee. Juist dan duiken de klachten op.

De rafelrandjes worden gemist. De krakers. De drugs. De hoeren. In Het Parool stond vorig weekend een heel verhaal over de paradijsvogels, de punkers en de levende kunstwerken, die je nog maar amper ziet.

De romantiek van krakers heb ik nooit begrepen. Als er een groep is, die in hokjes denkt, zijn het wel de mensen die niks willen betalen voor hun woning. Geen grotere groepsdruk dan daar. Al roepen ze dat ze vrij zijn, ze zijn minstens zo intolerant als een Iraanse ayatollah.

Mijn eerste jaren in Amsterdam bracht ik door in West. Of zoals het toen heette, de Baarsjes. Dat was eind jaren tachtig, begin jaren negentig nog een groezelige wijk. Er waren drugspanden, overlast van jongeren en slecht onderhouden huizen. Ik kwam er wonen toen de wijk net in de lift zat. In no time werd het een prettige wijk, die de depressieve jaren tachtig, met zijn punkers, zijn krakers en zijn slechte muzieksmaken achter zich liet en de zonnig jaren negentig invoer.

Dat mensen soms met romantische ogen naar het verleden kijken, snap ik. Maar laten we ook de ellende, de dofheid en smerigheid van destijds niet vergeten. Misschien ben ik wel met de stad mee gegroeid. Vroeger zou ik ook zeggen dat de rafelrandjes de stad mooi maken. Dat heb ik allang niet meer. Maar ik ben dan ook de burgerlul geworden die ik nooit wilde zijn, met zijn aangeharkte straatjes. Ach. Ik heb er vrede mee.

Deze column verscheen eerder in De Echo

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *