0
Frenkie

In 1995 was het de grote teen van Patrick Kluivert die ons de Champions League opbracht. Ook toen kwam er een nieuwe generatie op. Davids. Seedorf. Litmanen. Frank Rijkaard was de ervaren man die nog één keer naar Amsterdam kwam om de jongens bij de hand te nemen.

Rijkaard. Zijn naam valt. Je had Van Basten, Gullit en Rijkaard. De grote drie van Milan. Ruud was de brutale. De Amsterdammer die nooit bij Ajax voetbalde. De internationale. De man met de wilde haren. En de snor. Van Basten had de kapotte knie. Ik ken zelfs iemand wiens vader ooit aan diens kwetsbare knie heeft zitten rommelen. Dat voelt dichtbij. Toch heb ik het meest met Frenkie. Dat komt door die treurige ogen. Hij doet denken aan een hondje, dat z’n koppie scheefhoudt, omdat hij een beloning verwacht.

Ooit had Frenk ruzie met Cruijff. De grote meester had hem gezegd dat hij een leider moest zijn. En dat trok hij niet. Hij vluchtte naar Portugal, speelde bij Zaragossa, om, dankzij het gewonnen EK van 1988, bij Milan terecht te komen.

In 1995 sloot hij met die finale zijn carrière bij Ajax af. Hij had inmiddels zonen. Patje. Edgar. Clarence. En zag dat het goed was. Mooier kun je niet weggaan. Ik zie nog het beeld van een piepjonge Clarence Seedorf voor me die zijn hand op het gespierde dijbeen van Frenk legde, zoals een zoon bij zijn vader doet.

Zondag viel een jongen bij Ajax in, die de naam Frenkie de Jong droeg. In de 48-ste minuut scoorde hij zelfs, de 3-0. Frenkie. Blozend. Blond. Hollandser kan het niet. Ik durf er een fles wijn op te zetten dat zijn vader hem naar Frenk Rijkaard heeft vernoemd. ‘Ok, jij wilt een kind, prima, maar dan bedenk ik de naam.’ Mevrouw de Jong stemde, tussen de weeën door, toe.

Deze column verscheen eerder in De Echo

Marcel Duyvestijn
Website
Your Name Email Website