Champs Élysées

Dylan Groenewegen. In alles Amsterdams. De afgelopen drie weken was hij vaak in beeld. Hij werd derde, daarna tweede en telkens keek hij amper in de camera. Zijn grote haarlok zakte voor zijn ogen, ter bescherming. Verlegenheid? Ik durf het te betwijfelen. Teleurstelling was het, dat uit dat gedrongen lichaam geperst werd. Als hij alle filters weg zou halen, zou hij tegen de interviewer ‘Sodemieter effe op, man’, gezegd hebben, zoals een Amsterdammer dat zegt. Hij keek echter naar zijn schoenen en mompelde iets over de kansen die nog kwamen.

En dan de Champs Élysées. Hij ging vroeg aan. Erg vroeg. Maar hield stand. Hij had zelf tijd om overeind te komen en zijn vuist te ballen. De laatste keer dat iemand in Parijs de laatste etappe van de Tour de France won was in 1988. Dat was Jean Paul van Poppel. En dat is weer de vader van Danny en Boy van Poppel, die hem vroeger veelvuldig versloegen in de sprint. Het kan verkeren.

Dylan groeide op tussen de fietsen, in de Reggestraat, waar zijn vader een fietsenzaak heeft. Maar eigenlijk zit de hele familie al eeuwen in de fietsen. Zijn opa maakte frames voor professionals. Een Zieleman-fiets was een begrip. Op zevenjarige leeftijd had Dylan al een racefiets, die door zijn opa in elkaar gezet was. Hij koesterde het ding als een vrouw. ‘Hij zat altijd te pielen’, zei hij over zijn kleinzoon in een interview in het AD.

Zondag waren daar de tranen. Dat hij een talent was, wisten we. Dat hij kon winnen, was ook duidelijk. Maar de Champs Elysees is wel andere koek.

Ook ik heb mijn fiets weer uit het vet gehaald. Wind mee en berg afwaarts kwam ik op bijna vijftig kilometer per uur uit. Ik was kapot. Dylan fietst in zo’n sprint dus nog twintig kilometer harder. Het is bijna niet voor te stellen.

Deze column verscheen eerder in De Echo

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *