‘Het kan wel.’

‘Let goed op.’ Voor me op de tribune zaten een vader en een zoon van Marokkaanse komaf. De vader legde een hand over de schouders van de zoon en fluisterde iets in zijn oor. Daarna balde hij zijn vuist. De zoon keek wat onzeker. De vader knikte echter zo heftig dat de boodschap duidelijk was. ‘Dit kun jij ook’, zei de vader uiteindelijk. Toen draaide hij zijn hoofd naar Ahmed Marcouch, die als een popster de trap afdaalde.

Nog één keer Marcouch. Hij is nu Arnhemmer. Sterker nog, hij kreeg vrijdag de ketting om zijn schouders die hem de eerste burger van Arnhem maakte. En toch. Je kunt Marcouch uit Amsterdam halen, je haalt Amsterdam niet uit Marcouch. Ook de tribune was voor de helft gevuld met Amsterdammers.

Als je Marcouch ziet, zie je ook dat jongetje, dat als tienjarige analfabeet naar Amsterdam kwam. Als je eerlijk was, kon je er weinig van verwachten. Voorbestemd om een onbeduidend bestaan in de achterbuurten van Amsterdam te leven. Misschien zou hij taxichauffeur worden. Misschien zou hij de vakken bij Albert Heijn vullen. ‘Het is niks en het wordt niks.’ Zeker toen hij radicaliseerde en de Koran als zijn dierbaarste vriend zag. Als hij nu jong was geweest, had hij misschien met een Kalasjnikov in Mosul gestaan om dood en verderf te zaaien.

Maar nee. Hij kwam bij zinnen. Hij wilde vooruit en leerde Nederlands door Jip en Janneke te lezen. Hij leerde manieren uit een boekje en beklom de ladder, met luisteren, met nadenken. In zijn ogen zag je altijd de nieuwsgierigheid branden. Dat is altijd gebleven.

‘Het kan wel’, benadrukte hij vrijdag in een prachtige toespraak. Op dat moment kreeg de jongen in het publiek weer een duw van zijn vader. ‘Het kan wel’, herhaalde zijn vader. De jongen knikte. Hij rechtte zijn rug en snoof de lucht van optimisme in zijn longen.

Deze column verscheen eerder in De Echo

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *