Zon. Terras.

De zon scheen. Jezus. Dan is Amsterdam als een vrouw. Die dartelt, die flirt, die haar witte jurk laat waaien in de wind. In een zomer als deze, die nat en winderig is, is elke zonnestraal als een orgasme.

Sowieso hebben wij iets met zon. Toen mijn familie uit Australië langskwam, was dat het eerste dat ze zeiden. ‘Jullie zijn de hele dag met het weer bezig.’ En vooral met de zon. Mijn neef zei een keer: ‘Jullie spreiden bij elke zonnestraal je armen en spinnen dan als een poes die onder zijn kopje wordt gekieteld.’ Hij wist toen nog niet dat die gele bol aan de hemel zeldzaam was in Amsterdam.

Wat hij ook nooit begreep, waren onze wc’s. Dat daar een plateau in zat, zodat je precies kon zien wat je geproduceerd had, in plaats van dat het direct wegzakt in een gat, zoals bij de meeste wc’s in de wereld.

Zaken waar je niet bij stil staat. Natuurlijk, wij zijn bot. Dat zeggen alle buitenlanders. Wij zijn direct. En Amsterdammers zijn nog een tikkie erger. Wat wij leuk vinden, snappen zij niet. ‘Amsterdamse humor’, zeggen we dan snel. Maar dan vinden ze het wel weer leuk dat dit een geschiedenis heeft. In de Gouden Eeuw hadden we niet alleen onze strijd met de zee gewonnen, er was ook een belangrijke mate van vrijheid. Je kon relatief makkelijk stijgen op de maatschappelijke ladder. In Amsterdam, toen een van de grootste steden in de wereld, moest je assertief zijn, bot, brutaal. Anders miste je de boot.

Dit alles bedacht ik, zittend op het terras van café Thijssen, tussen twee regenbuien door. De serveerster kwam langs en de eerste regendruppels vielen alweer op het tafeltje. ‘Mijn collega komt zo bij u’, zei ze. Ik zuchtte. Ook dat was zo’n typisch Amsterdams zinnetje. Vervolgens kwam er niemand. Zoals altijd.

Deze column verscheen eerder in De Echo

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *