Mamma

Ahmed bezorgde er weleens pizza’s. Nu werd hij aangehouden door iemand die zich journalist noemde. Hij vroeg hoe het binnen was. Of het een puinhoop is? Ahmed keek naar het studentenhuis aan de Kloverniersburgwal en haalde zijn schouders op. ‘Ach. Het is niet zoals bij mijn moeder thuis’, zei hij. Toen deed hij de klep van zijn achterbak dicht en startte zijn scooter om terug te gaan naar de winkel, om nieuwe pizza’s te halen.

De journalist stak zijn pen nog in de lucht, maar Ahmed reageerde niet meer. Hij was geschrokken van zijn eigen woorden. De journalist had diens woorden in een opschrijfboekje genoteerd en dat zat Ahmed dwars. Niet dat zijn moeder die krant las. Dat was het niet. Het was meer dat hij het met een wildvreemde over zijn moeder had gehad.

Sinds Ahmed bij Kees was ingetrokken, was elk contact verbroken. Hij kon dat wegzetten, verstoppen, maar toch dacht hij vaak aan haar. Een maand geleden zag hij haar lopen, met twee grote boodschappentassen op het August Allebéplein. Ze schommelde, ze zuchtte. En elke keer wilde hij zijn moeder helpen, maar dat mocht niet. ‘Ga weg, Ahmed’, zei zijn moeder met een betraand gelaat. Ze had hem daarna niet meer aangekeken. Ze wachtte geduldig tot hij vertrok. En dat deed Ahmed. Hij had nog willen zeggen dat hij van haar houdt, dat hij haar niet vergeet, dat hij… Enfin. Hij wist dondergoed dat hij nu haar zoon niet meer was. ‘Je vader wil niet meer dat ik je zie’, had zijn moeder hem bij de vorige ontmoeting gezegd.

Sindsdien zat er een tochtig gat in zijn hart, waar de wind en de regen vrij spel hadden, telkens als iemand het over zijn moeder had. Ook Kees kon dat gat niet dichten. Ja, het was zijn vriend. Zijn partner. Zijn liefde. Maar dat tochtige gat was van hem. En daar regende het nu.

Deze column verscheen eerder in De Echo

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *