Winterdip

Als het regent, drukt het leven zwaar op me. De plafonds zijn laag. Ik loop gebukt. In mijn schoenen zit lood, dus vooruit kom ik niet. Fijne gedachten sijpelen langs mijn nekwervels naar beneden en geven me rillingen van kou. Ik praat, maar niemand hoort het.

November mogen ze in z’n geheel afschieten. Het is de verdrietigste maand van het jaar. Ik dacht dat ik met het klimmen der jaren immuun zou worden voor die ellende, maar niets is minder waar. Elk jaar wordt mijn winterdip dieper. Alleen nu, als ik thuis, achter mijn laptop zit te tikken, dampende koffie binnen handbereik, lijkt even de zon door te breken, al is hij nergens te zien. De poes komt me bemoedigende kopjes geven. Hij begrijpt wat ik voel.

Ik ben als Amsterdam. Amsterdam wordt een sombere stad als het regent. Een stad van langzaam rond schuifelende mensen in doorzichtig plastic. Ze lopen door de Kalverstraat, omdat ze toch iets moeten doen. Ze zwijgen en zwatelen. In de cafés is het vochtig; bij de deur staan tientallen paraplu’s klaar om vergeten te worden.

Wat helpt op deze dagen, is in je eentje door een museum te lopen. En dan niet door het Rijks, het Van Gogh of het Stedelijk Museum. Daar lopen de toeterende toeristen met hun selfiesticks. Ze zien niks, behalve zichzelf. Nee, mijn advies is een museum waar het redelijk rustig is, waar je rustig over de grote houten vloerdelen kunt klakken, waar je de suppoost met een vriendelijk knikje groet. Museum Van Loon. Het Bijbels Museum. Het Willet Holthuysen aan de Herengracht. Van die musea waar je in je eentje in een zaal staat om een schilderij te bewonderen. Zo’n klein museum is als een glimlach van een kind. Het doet je beseffen dat je leeft. En dat is in de dode maand november onontbeerlijk.

Deze column verscheen eerder in De Echo

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *