De taal waarin je woont

Sneeuw. Prima. Maar het zou verwarmd moeten zijn. Zeker, Amsterdam is prachtig. Wit op de bruggen. Wit op de straten. Wit overal. Het vertraagt het tempo, tot het bijna tot stilstand komt. Maar ik heb er niks mee.

Ik denk aan kerst. Dat is voor mij vooral een zonnewendefeest. Dan hebben we de kortste dag gehad en weet je: vanaf nu lopen we richting lente. Eerst langzaam. Daarna wordt het elke dag een minuut eerder licht. Daarna zelfs elke dag twee minuten. Tot het moment dat je denkt: het is licht als ik wakker word. Man! Dat is een moment.

Ik heb nu drie kinderen. Een mooie vrouw. Een huis. Een hypotheek. Ik zit hartstikke vast aan dit land. En dat is helemaal niet erg. Nederland is een heerlijk land. Toch denk ik weleens aan het moment dat ik twintig was en in Australië rondreisde. Op veel plekken is het altijd mooi weer. Ik moest altijd lachen om de weerman die dag in dag uit hetzelfde riedeltje afdraaide. Sunny. Everywhere. Ik had daar best kunnen wonen.

En toch. Dit is mijn land. Dit is mijn taal. Ik sprak laatst Kader Abdolah. Die vertelde me dat hij nu in een andere taal woonde, het Nederlands. Al zou hij zo weer terug willen naar Iran, als dat kon, hij woont nu in deze taal.

Ik hou van mensen die de taal van hun huis spreken. Lodewijk Napoleon, onze eerste koning, wilde dat ook. Hij heeft in de korte tijd dat hij hier, in het paleis op de Dam, regeerde, echt zijn best gedaan om de taal en cultuur tot zich te nemen. ‘Ik ben Uw konijn’, zei hij trots, waar hij bedoelde dat hij onze koning was. We lachten, zoals we altijd lachen om mensen die onze taal proberen te spreken. Maar we waren wel geraakt.

Deze column verscheen eerder in De Echo

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *