Afgelopen week was ik in Londen. Een geweldige stad, ondanks de sneeuw, de kou en het altijd druipende weer. Ik hou van het industriële, het niet-aangeharkte, het gerafelde, in combinatie met het gladde, het flitsende. Dat zie je in Londen.

Aan de ene kant heb je metrostations, die van ellende uit elkaar vallen, wegen die zich hobbeldebobbelend door de stad slingeren en zwervers op de straathoeken. Tussendoor zie je de rijkdom die de stad ooit kende, met immense (gratis!) musea, paleizen en kerken.

Twee dingen vallen me op. Ten eerste dat Amsterdam een fantastisch onderhouden stad is. Alles doet het, alles ziet er goed uit. Dat doet de gemeente goed en mag best een keer gezegd worden, want dat is niet zomaar iets. Het is ook een teken van goed bestuur. Ik zou Annabel Nanninga dan ook de suggestie willen geven eens in andere steden te kijken, voordat ze vol op het orgel gaat over deze vreselijke stad, zoals zij dat -in haar eigen zuurzeurderige woorden- uitdrukt.

Ten tweede vallen me het verschil in mentaliteit op. Londenaren hebben huzarenstukjes afgeleverd. Gebouwen die landmarks zijn geworden. En nog steeds verrijzen er gebouwen die al iconisch zijn als ze nog niet eens af zijn. Amsterdammers zijn in die zin zuinig. Het Paleis op de Dam is een prachtig gebouw, de grachtengordel is lieflijk. Maar ik mis het megalomane, het excentrieke. In die zin zou er weer een Samuel Sarphati op moeten staan, die eind negentiende eeuw het Paleis van de Volksvlijt naliet, geïnspireerd op Christal Palace in Londen. Dit gebouw van staal en glas stond ooit waar nu De –buitengewone lelijke- Nederlandse Bank stond. Eens in de zoveel tijd staan er mensen op die op die plek het Paleis willen herbouwen. Even zo vaak worden ze uitgelachen. Jammer. Want al kost het meer dan het opbrengt, dit soort landmarks maken een stad nog bijzonderder.

Deze column verscheen eerder in De Echo

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *