Category Archives: Uncategorized

Ahmed zoekt vrouw

Boerzoektvrouw

Hij zat met zijn helm in de tram. Brommerpech. Hij belde eerst zijn broer. Dat ging over de brommer. Toen belde hij Rosalie. Zijn liefde. Bij elk woord danste zijn lichaam mee. De harde toon die hij tegen zijn broer had aangeslagen, was volkomen afwezig in dit gesprek. Lichtvoetig, gevat, twinkelend. Hij had het over picknicken in het park. En achter elke drie zinnen plakte hij een zenuwachtig lachje. Continue reading

De mens Wim Kieft

wim_kieft_neus

Mijn gedachten gingen terug naar begin jaren negentig. Ik was een vers studentje in Amsterdam. Ik zat op een terras aan de Amstel, toen Wim Kieft aan kwam fietsen. Oude herenfiets, kinderzitje achterop. Kieft! Wim! Verdomme. Hij liep naar een tafeltje verderop en wreef de haren uit zijn ogen. Met dat voorhoofd kopte hij in 1988 Nederland langs Ierland. Dé kopbal. Acht minuten voor tijd. Het leverde ons een plaats in de halve finale op. De rest is geschiedenis. Continue reading

Corvee voor een Europarlementariër

paul-tang-cc-pvda

‘Het gaat echt ergens om.’ Paul Tang, lijsttrekker voor de PvdA, buigt zijn hoofd. Hij probeert een glimlach, die het goed doet bij jonge meisjes. Maar nu hangt hij over een kromgetrokken vrouw die zijn foldertje aanneemt, maar het niet leest. Ze kijkt naar de boodschappen in het mandje van haar rollator. Paul spuugt wat woorden in haar nek. Eerlijk. Gelijk. Werk. Als sluitstuk zegt hij: ‘Ik ben ook Amsterdammer.’ De vrouw rijdt echter door. Ze probeert te groeten met het foldertje in haar hand. Paul zwaait. Zijn ogen staan moedeloos. ‘Stemt u op de PvdA?’ roept hij nog, maar hij wacht het antwoord niet af. Onbedoeld maakt hij een handgebaar: Flikker toch op. Dan herpakt hij zich en loopt naar een volgend slachtoffer, een studente met een grote rugzak. ‘Wil jij een roos van mij?’ Continue reading

De laatste roker in zijn gezicht spugen

MINOLTA DIGITAL CAMERA

Een bouwvakker zit tegen een muurtje. Links een pakje melk. Rechts een broodtrommel met een halve boterham. Hij rookt. Diepe tevredenheid hangt als een rookpluimpje om hem heen. Als ik hem zie, word ik gelukkig. Dan is er wereldvrede in mijn lichaam.

Ik ben tien jaar geleden gestopt met roken. Het kostte me meerdere pogingen, vooral vanwege het geluk dat ik weg moest geven. Als ik schreef, miste ik mijn vriend. Ik miste de rook voor mijn beeldscherm, die me het zicht op de werkelijkheid benam. Als ik rookte, was ik vrij, de rook tilde me op.

Ik dacht ook aan al die inspiratiebronnen. Jean Paul Sartre. Hij existeert niet eens zonder sigaret. James Dean in een cabriolet. Roken was dromen. Roken was vrijheid, omdat het geen massa had, het zweeft. Remco Campert. Jack Kerouac, een sigaret voor On the Road. Je kunt Chet Baker als junk zien, ik zag vooral dat hij  de rook dwars door zijn trompet heen blies, waardoor zijn geluid nog mooier werd. Als jonge roker wilde ik bij hen zijn.

Nog steeds als ik ergens rook zie, heb ik ‘het verlangen naar een sigaret’, zoals Rutger Kopland het ooit uitdrukte. God kan ondoorgrondelijke dingen met ons doen, dankzij het feit dat hij niet bestaat’, zegt hij verderop in het gedicht. Om af te sluiten met: Het verlangen naar een sigaret is het verlangen zelf.

Het is de romantiek. Roken staat voor mooi, voor creatief, voor vrijheid. Toch heb ik me nooit vrijer gevoeld dan het moment dat ik stopte met roken. Niet dat moment zelf, maar het moment dat je naast die bouwvakker kunt gaan zitten en kunt genieten van zijn rook, zonder dat je zelf zo nodig moet roken. Genieten van andermans romantiek (en andermans ellende).

Als ik nu met een roker in het café sta, zie ik hem wiebelen, hij pakt alvast een sigaret, speelt ermee, duwt hem achter zijn oor en kijkt continu naar de deur. Hij luistert niet meer. Ik weet wat hij gaat zeggen. Hij wil weg. Als ik door blijf praten, wordt hij onrustiger. Het is geen willen, maar moeten. Niet lang daarna staan we samen buiten. Ik kijk naar hem. Hij inhaleert, plichtmatig, schuldbewust. Blij kijkt hij niet. Hij weet het. Vrijheid is vooral iets niet doen.

Deze column is geschreven voor het debat Hoe vrij ben jij? van Futuresociety op 25 juni  in Felix Meritis. Daarvoor hebben ze Wanda de Kanter uitgenodigd die begonnen is met een Jakobijnse actie: Nederland stopt! Met roken. Dat uitroepteken midden in de zin triggert al. De Kanter is 25 jaar longarts en wil door naming en shaming aan de kaak stellen dat politici lobbyen voor de tabaksindustrie. Op haar website Tabaknee.nl gaat het er niet zachtzinnig aan toe: Brinkman (CDA) is ‘dom en gewetenloos’. Edith Schippers is ‘Minister van Tabakswerkgevers’. Aanvankelijk komt dat drammerig over, als een hysterische wereldverbeteraar, die andermans waarheid niet erkent. Niet iemand verleiden te stoppen, maar iemand in zijn gezicht spugen en dan zeggen dat zijn neus nat is. Het is niet mijn manier. Edoch. Als je de vrijheid van het niet roken hebt geproefd, is elk middel misschien legitiem. Ik denk vooral aan die bouwvakker, die even later piepend en kreunend met mij de trap op liep om bij ons de keuken te vervangen.

Er zijn nog kaarten!- Via Felix Meritis

Marcel Duyvestijn, columnist, publicist voor onder andere Elsevier en The Post Online

Het grote gelijk van Arie de Jong (column voorgedragen)

We zijn hier allemaal bijeen.

Dit is de dag van Arie de Jong

Oud Kamerlid.

Oud gedeputeerde

Oud Statenlid

Oud-directeur

Oud secretaris

Oud voorzitter

Oud links

Oud mens.

Mooi mens.

Wijs mens.

Wijsneus

Maar ook een Robbie Oudkerk.

Een oud Hoerenloper

 Hoerenloper? Echt?

Dat moet je uitleggen.

 Dat zal ik doen. Op de website van de PvdA Leiden legt Arie uit hoe hij in 1973, nog met een vlassig snorretje, voor het eerst ging canvassen. We zien een twintigjarige door Zoetermeer lopen. Verdwaald. Verstrooid. Maar toch met die PvdA blik in zijn ogen. Zijn wapen is zijn folder. De ideeën het evangelie. Destijds was van luisteren nog geen sprake. Het ging om de bekering van de verworpene der aarde. Het ging om stemmen. Het ging om de verleiding. Stemt rood.

 Zo ook op een koude dag in december 1973, bij het canvassen in Zoetermeer. Arie de Jong loopt daar moederziel alleen. En waar hij ook aanbelt, overal krijgt hij te horen:

 Hier zijn jullie al geweest! Op de website van de PvdA Leiden schrijft hij: Uiteindelijk probeerde ik het op een andere galerij. Daar deed tot mijn stomme verbazing een prachtige jonge vrouw open, gekleed in een wit transparant negligé. Ze wilde gelijk dat ik binnen kwam en bleek totaal niet geïnteresseerd in mijn PvdA-folders. Maar al heel snel kreeg ze door had dat ik niet kwam als klant, maar dat ik daar was om haar te vragen lid te worden van de PvdA. Ik werd uitgescholden en binnen enkele ogenblikken stond ik met een vuurrood hoofd weer buiten! Ik vertelde mijn verhaal aan wethouder Bruin, van Zoetermeer. En hij reageerde direct: ik was een half uur eerder ook al bij haar geweest, kennelijk voelt ze zich wel aangetrokken tot de PvdA!’

 Hier is Arie de Jong ontmaagd. In Zoetermeeer. 1973. Toen canvassen langs tochtigeportieken nog een belevenis was. De PvdA heeft het witte laken met de rode vlek trots buiten gehangen. We hebben hem. Arie de Jong. Hij is ontmaagd. Hij is nu een echte socialist.

 Arie de Jong kon niet meer weg. Hij bleef zich laven aan die rooie kachel. Hoeveel vrouwen in licht doorschijnende gewaden hij gezien heeft, is niet te zeggen. Mooi is het wel, dat het begon, bij een idee, bij een licht, een rood licht.

 Het evangelie is hij blijven belijden. Met de rode bijbel en de opgestoken vinger ging hij jaren langs de deuren. Laat mij u getuige maken van mijn gelijk, was zijn ijzersterke boodschap.

 Want als iets Arie de Jong typeert, is het het alomvattende gelijk. Hij brengt dat zuchtend, alsof hij zich er ook voor schaamt. Ik zei het toch. Of nog korter: tja.

 Vervelend waren de nieuwlichters in de partij. In 1999 waren het de neefjes van Felix Rottenberg, Erik van Bruggen en Lennart Booij, die zich kandidaat stelden voor het voorzitterschap. De tegenstrever was Marijke van Hees, die te boek stond als ‘het nichtje van Bart Tromp’. Het waren tijden van de apparatjiks tegen de radicale vernieuwers. Arie bemoeide zich ermee in een opiniestuk in De Volkskrant. Hij schreef; ‘ De PvdA heeft niks aan mensen die als enige mantra hebben, dat er vernieuwd moet worden.’ Daardoor kon hij op steun van Bart Tromp rekenen.

 Later had hij ook flinke kritiek op de commissie Noten die de partijdemocratie tegen het licht hield. Een ‘in haast gemaakt’ stuk, flodderig, slecht onderbouwd, geboren uit goede bedoelingen, schrijft hij in S&D, het blad van de WBS, vernietigend. Ook in dit stuk spuugt Arie het woord ‘vernieuwing’ uit alsof het vanonder uit zijn onderbuik komt.

 In een column op de website van de PvdA Leiden schrijft hij: Grote woorden veranderen de wereld niet.’ Dat was Arie. Doe maar gewoon. Dan doe je al gek genoeg.

 Geen grote woorden. Wel grote ideeën. Arie de Jong is een man van het verkeer, van wonen, van ordening, van ruimte. Zowel als ambtenaar als in de Tweede Kamer was hij bezig met de kaart van Nederland. Vooral op volkshuisvesting. Heerlijk. Huisje hier, huisje daar. Wat kan er mooier zijn dan het volk te huisvesten?

 Waar ik snel over heen wil wandelen, is de Ceteco affaire. Het bankiertje spelen van de provincie Zuid Holland. Arie was nog maar een paar maanden in functie toen hij al moest aftreden, buiten zijn eigen schuld. Later traden ook de Commissaris van de Koningin, twee andere gedeputeerden en wat ambtenaren af.

 Moeilijk moment. Daar sta je. Vol goede moed. De beste ideeën. Maar weggestuurd, omdat je toevallig op het verkeerde moment op de verkeerde plek zat. Dan knakt er iets in een mens. Arie is een sterke man, maar in die jaren verkleurde zijn snor, van vrolijk bruin, naar zilvergrijs.

 In 2007 keert hij terug in de provincie. Dit keer als voorzitter van het Gewestelijk Bestuur. Grootste wapenfeit is de motie die hij op het congres indient, omdat hij tegen de verhoging van de AOW leeftijd. 65 =65. Hij strijdt een strijd zij aan zij met Geert Wilders en Emile Roemer.

 Het zijn maar een paar puntjes uit het lange wijze leven van Arie de Jong. En daarmee doe ik hem tekort. Arie is een icoon. Voor Nederland. Maar zeker hier, in het hart van de sociaaldemocratie, in Zuid Holland. Arie moeten jullie allemaal boven je bed hebben hangen. Arie is God. Jullie zijn feitelijk allemaal kinderen van Arie de Jong.

 Derhalve een stukkie poëzie om hem in woorden te vangen.

 Arie de Jong, van geest,

Van leven,

Van lendenen. Altijd komen,

Nooit geweest.

Arie. Altijd bombarie. Een Badr Hari, avant la lettre.

Grote wijzende vingers en het eeuwige gelijk.

Een partijbons, een partijman, een partij an sich

Soms de man met de vinger in de lucht. Soms met de vinger in de dijk.

Arie de Jong, een jonge Joop den Uyl

Met de snor, als borstel van zijn woorden,

Veegt hij de argumenten aan, vies en vuil

Legt hij zijn ziel in zijn soul en zijn

Schoen op zijn tafel. Om te bonzen. Voor de socialistische zuil.

Arie de Jong. Priemende, goedmoedige ogen.

Zestig inmiddels. Zilvergrijs, maar nog niet grijs gedraaid.

En woorden, vaak hoge, die hakken, maar nooit logen.

Arie de Jong. Als jongen in Zoetermeer

Een hoer bekeerd tot socialist.

Het rode gevaar bedwongen.

Wat wil je nog meer.

In Zuid Holland jaren met hamers geslagen.

Altijd voor gezeten, nooit achteruit.

Altijd met geest en drift, altijd maar doorzagen.

Nu wandelt hij, via een Wandelnet, met het hoofd n het hoge.

En de vinger in de lucht, naar buiten, de frisse lucht in de longen gezogen

Het is een socialist. Een realist.

Van zijn spekzolen tot zijn grijze snor

Zuid Holland huilt.

Want hij wordt straks node gemist.

Ik stel voor dat we allemaal even gaan staan. Het hoofd buigen. En Arie de Jong een langdurig applaus geven.

 

 

Regeren is gewoon supergaaf

rutte liegt

Zonder woorden geen daden. Het kabinet heeft in een zweterige ambiance bedacht: we gaan het CPB verslaan. Gaaf! Eigenlijk wilde de premier het spotje van de MegaMarkt dunnetjes overdoen: kopen, kopen, kopen. Voorganger was Mark Rutte. Hij wilde diep in de camera duiken om de mensen aan te kijken. Om ze bij de schouders te pakken. Om met opgestoken duimen voor hun ogen te dansen: wees optimistisch, wees blij.

Al dat gesomber. Het is niets voor Mark. Verdikkie. Wij zijn toch van Nederland! Van Cruijff, de Ruyter, Rembrandt en al die andere zeehelden? Wij zijn kopers. Keiharde kopers. Ga verdulleme groter wonen. Koop die grotere bak. Betaal meer belastingen. Ja! Maak mij blij.

Heerlijk. Rutte is de energiekste premier die we ooit hebben gehad. ‘Hij gaat almaar door’, verzuchtte Lodewijk Asscher in een interview met Vrij Nederland. Hij vergeleek Rutte en Samsom, met duracellkonijntjes.

Mark vindt dit het gaafste dat ie ooit heeft gedaan. En daar zit direct zijn zwakte. Toen hij met Diederik Samsom om de onderhandelingstafel zat om een nieuw kabinet in elkaar te draaien, vond hij ook alles gaaf. Daardoor vergat hij dat hij van de VVD was en dat die inkomensafhankelijke zorgpremie daar niet gewaardeerd werd.

Het sociaal akkoord was zelfs ‘historisch’. Het leek geen donder uit te maken wat erin stond. Dat ze de rekening voor zich uit schuiven en niet aanpakten, wordt weggewoven. Halbe Zijlstra probeerde nog te waarschuwen: we moeten straks gewoon weer bezuinigen. Maar het klonk als Statler of Waldorf uit de Muppetshow. Ongetwijfeld dat Mark even gebeld heeft om te zeggen dat Halbe niet zo saai moest doen.

Ik zie het Mark elke dag tegen zichzelf zeggen in de spiegel. Regeren is gewoon gaaf. En akkoorden sluiten is helemaal gaaf. Met wie dan ook. En niet zo zeuren over de onuitvoerbaarheid. Over betonvorming. Over geneuzel. Het is gewoon allemaal gaaf. Punt.

Daarom ga ik vanmiddag ook wat kopen. In naam van Mark Rutte. Om samen met hem, koning van het optimisme, het CPB te verslaan. Dat zou echt heul gaaf zijn.

Deze column verschijn eerder bij Elsevier

 

Eerherstel voor Ad Melkert (Elsevier)

Haten is fijn. Het geeft een heerlijk superieur gevoel. Je bent zelf immers beter dan de man of vrouw die je haat. Margaret Thatcher was een ideale totempaal om je haat aan te hangen. Zelfs 23 jaar na het einde van haar regeerperiode druipt de haat er bij veel mensen van af. Sommigen zouden haar lichaam alsnog willen mishandelen. In Brixton vierden ze zelfs feest op straat: ‘The bitch is dead.’

Van Oldebarneveld

Haten. Het is zo oud als de mens zelf. Adam haatte Eva al. Het is niet links en niet rechts. We doen het allemaal. De politieke moorden in Nederland konden niet tot stand komen zonder effectieve haatcampagnes. Prins Maurits haatte Van Oldenbarnevelt. Stadhouder Willem lll haatte Johan de Witt. Melkert haatte Fortuyn.

Pim Fortuyn was ‘heerlijk om te haten’, zoals ik een belangrijke PvdA’er heb horen zeggen. Pim zoog. Pim tartte. Maar het ergste was, die superieure lach. In die linkse kerk hing hij op elk dartbord. Biljartballen symboliseerden zijn kale knikker. De haat zat zo diep dat toen hij vermoord werd, het soms zachtjes klonk: hij vroeg er natuurlijk wel om.

Wouter Bos.

Wouter Bos was een van de weinige die Fortuyn rehabiliteerde. In de documentaire ‘de Wouter Tapes’ werd hem gevraagd wat hem inspireerde, wat hem dreef. Wouter hoefde niet lang na te denken en vertelde over de stille tocht voor Pim Fortuyn in Rotterdam die hij op de televisie had gezien. Hij zag het verdriet van de ‘gewone mensen’. Tegen zijn vrouw zei hij toen: dat zijn onze mensen.

In één zin pakte Wouter Bos de tragiek van de PvdA bij de lurven. De PvdA was al die mensen kwijt geraakt. Gewone, hardwerkende mensen. Het beeld dat bij die uitspraak past, is dat van Ad Melkert, de man die zijn (arme) volk en zichzelf kwijtraakte. De schuldige was Fortuyn. Melkert zal in zijn hele leven niemand meer gehaat hebben dan Fortuyn toen.

Kogel kwam van links

Na Fortuyns dood ontvluchtte Melkert ons land. Eenzaam. Verlaten. Hij had krassen op zijn ziel, zei hij op een PvdA bijeenkomst. Heel rechts haatte hem. Hij was de moordenaar. De kogel kwam immers van links.

Hij is inmiddels terug in Nederland. Onlangs kwam ik hem tegen in een supermarkt. Hij pakte appels. Hij pakte peren. De krassen die zijn ziel geraakt hadden, hadden ook zijn gezicht gekerfd. Bij de kassa rekende hij af. Ik voelde een rilling door me heen gaan. Zelden een verdrietiger man zien afrekenen.

 

Deze column verscheen eerder bij Elsevier

Gullits museum

M01-rijksmuseum_night

 

Het Rijks. Over twee weken is ie weer open. Het nationaal museum. Het mooiste. Het rijkste. De tamtam is al een tijdje gaande. Dat doet Wim Pijbes, de directeur, goed. Hij snapt hoe dat werkt. Geen moeilijke mensen die het verhaal vertellen, maar gewone mensen. Ruud Gullit bijvoorbeeld. Zijn moeder was dertien jaar lang schoonmaakster in het museum. Als kleine jongen –in korte broek – met een bal onder zijn arm- liep Ruud daar rond. Hij zag de Staalmeesters, de Nachtwacht, de geweren uit de Gouden Eeuw. Vorige week vertelde hij daarover in De Wereld Draait Door. Hij is tussen de opnamen van die spotjes telkens weer door de nieuwe zalen geslopen. ‘Ik was niet te houden.’ Hij kende niet alle schilders, maar het kinderlijke enthousiasme was aanstekelijk. Precies zoals het bedoeld is. Geen ingewikkelde formules. Geen Joost Zwagermaniaanse verhandelingen over ‘wat je er nog meer in ziet’. Nee. Gewoon lieflijke blijheid.

Het zijn de jaren van de heropeningen. Vorig jaar ging het vernieuwde Stedelijk Museum eindelijk weer open. En over een maand gaat – na een kleine verbouwing het Van Gogh weer open.

Nadeel van heropeningen is dat het met zoveel kabaal gaat. Niemand kan de heropening van het Rijks over het hoofd zien. Daardoor zal het Rijksmuseum de komende tijd tjokvol zijn. Vóór de verbouwing kon je soms door lege zalen dwalen, je harde hakken op de harde houten vloer horen klinken. Ook toen was de kans klein dat je in je eentje voor de Nachtwacht stond, maar in de andere zalen was vaak geen kip.

De kunst is dus om het museum aantrekkelijk te houden. Laat mij een ideetje aandragen. Laat Ruud Gullit de rondleidingen verzorgen. Geheel in zijn eigen stijl, met zijn eigen verhaal. In de Wereld Draait Door liet hij een schilderijtje zien van een klein zwart jongetje. ‘Die waren er dus ook.’ Ja. Net als veertig jaar geleden, toen de moeder van Ruud met haar plumeau over de Hollandse meesters streek. Met liefde, met eerbied.

Marcel Duyvestijn @liefdevollid

 

Deze column verscheen eerder in De Echo