“Ik heb honger.” In lijn 2 zit een jongetje van een jaar of tien naast zijn moeder. Hij krijgt niks te eten omdat het Ramadan is. De moeder lacht. Dit is de bedoeling. “Door de honger komt zuiverheid.” En dus vraagt ze retorisch: voor wie doen we dat?
Ramadan. Het wordt steeds belangrijker. Ook onze burgemeester hecht er waarde aan. “De opkomst van de islam gaat gepaard met spanningen in een samenleving die meer en meer vervreemdt van haar eigen religieuze wortels”, schrijft hij op de website van het Ramadanfestival. Dat klinkt dreigend. Verdikkie. We doen zo raar – lijkt Cohen te zeggen – omdat we niet meer weten wie we zijn, sinds we niets meer aan het geloof doen.
Ik heb ooit een jongen gesproken, die zei: “Ik hoef niet intelligent te zijn. Ik heb mijn boek. Daar staat alles in.” Hij wees naar de Koran. Is het niet handiger als je zelf nadenkt? Hij keek me aan alsof ik gek geworden was. In de Koran staan nogal wat dingen die tegen onze normen en waarden ingaan. Daar wilde hij niet op ingaan. Zijn boek was goed. Basta.
Het hongerige jongetje kijkt inmiddels verbitterd uit het raam. Daar ziet hij een dikke Amerikaan een hamburger verslinden. Hij vraagt aan zijn moeder of die meneer niet fatsoenlijk is. “Het zou goed zijn als iedereen aan de Ramadan zou doen”, antwoordt ze. “Maar dat komt nog wel”, voegt ze er aan toe.
Job Cohen die leiding geeft aan een college met Wilderianen. Het zou wat zijn. Daar wil je bij zijn. Dat wil je zien. Dat is politiek theater van het hoogste niveau. Elke moslim die zijn veters verkeerd strikt, levert heisa op. ‘Uitzetten’, zegt de Wilderiaan. ‘Ach, laten we de veters even losmaken, zodat hij het opnieuw kan doen’, zegt de burgervader sussend.
Maar nee. Hij doet niet mee. Niet in Amsterdam. Hij doet alleen in Almere en Den Haag mee. Wilders toont zijn zwakte. Dat is duidelijk. Hij is laf. Hij gaat het gesprek weer uit de weg. Hoe lang kun je het nog volhouden om mensen alleen maar ‘knettergek’ te verklaren of voor ‘domme gans’ uit te maken, zoals de Zeeburgse ‘burgemeester’, Fatima Elatik, overkwam toen ze Wilders’ beleid met dat van Hitler vergeleek?
Amsterdam kan het wel gebruiken. Een beetje tegendruk. Het is nu zo’n dichtgetimmerde PvdA-stad. De sociaaldemocraten regeren al honderden jaren. De ene keer met de VVD – die in Amsterdam linkser is dan elders. Een andere keer met GroenLinks. Soms aangevuld met de ‘aanplakpartij’ D66.
In 2002 speelde Pim Fortuyn een bescheiden rol. Vader en zoon Bakker surften op de golven van de leefbare tsunami’s de Gemeenteraad in. Maar ondanks wat grappige situaties en vermeend misbruik van subsidies braken ze geen potten.
Nu Wilders niet meedoet, kunnen we de uitslag makkelijk voorspellen. D66 wordt de grootste en regeert straks met GroenLinks en de PvdA. Job Cohen zal tevreden zijn.
De homo’s zitten weer in de kast. En de politici komen er weer uit. Langzaam ontwaken ze uit hun lange lome zomerslaap. Heerlijk. Het begint weer. Ze geeuwen nog wat. Ze wrijven de ogen uit en gaan aan de slag.
Ook de burgemeester is weer terug. Hij is op vakantie geweest in Drenthe, ergens bij de Hunnebedden, samen met zijn vrouw Liddy. Hupsekee, met de vouwwagen achter de Peugeott 405, heerlijk een paar weekjes weg. Dat vermoed ik. Cohen is niet iemand die op geile stranden met palmbomen ligt. Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.
Weer terug aan de gracht gaat hij direct weer iets gedogen. Staand een biertje drinken, mag niet, maar we zien het door de vingers. Gedogen dus. Mooi woord. Niet te vertalen en helemáál Amsterdams. Maar vooral helemáál Cohen. Eigenlijk zou je het ook Coheniseren noemen.
Coffeeshops? Die cohenniseren we. Mag niet, maar we kijken even de andere kant op. Haatpreken uit een haatmoskee? Cohen doet een belletje en zegt dan tegen de plaatselijk baard: jongens, hou je even in. Verkeersovertredende fietsers? We waarschuwen, maar zegen ook dat het bij Amsterdam hoort.
Coheniseren. Prachtig. Hij kan dat als geen ander. Sussen. Tuitende lippen. La-we-eerst-even-afwachten. Ik heb thuis een videoband waarop de ‘beste Cohenisaties van de afgelopen tien jaar’ staan. Heerlijke beelden.
Hij fietste op een herenfiets met dubbele stang. Zwarte kistjes. Zwarte leren broek waar de billen uit waren gesneden. Wit hemd. Snor. Hij was homo. Hij was op weg naar de festiviteiten. Dat zag je aan zijn lichte glimlach en zijn flinke tred. Hij had er zin in. Amsterdam was deze dagen van hem. Een supermarkt met in alle schappen gewillige mannen.
Homo. Ze voeren met bootjes achter elkaar aan. Ze waren blij. En dat wilden ze tonen. Leuk natuurlijk. Maar eigenlijk raar. Is het nodig? Ja. Het wordt steeds meer nodig om ‘signalen’ af te geven. Grote groepen allochtonen maken het de homo’s in Amsterdam moeilijk.
Marcouch heeft met ‘zijn boot’ een mooi teken afgegeven. Ook dat het CDA voor het eerst een boot liet varen, is goed. Moslims en christenen zijn niet zo van de homo’s. Het zou dan ook nog beter zijn als er een boot met bisschoppen, imams en andere kerkleiders door de grachten zou gaan.
De man met snor zal het worst zijn. Al die emancipatie. Hij ging voor het feest. Hij ging scoren. Je zag zijn ogen twinkelen. Wat voor mij een optocht van duizenden Katja Schuurmansen is, is de Gaypride voor hem. En dus trapte hij nog even door. Het zweet parelde op zijn voorhoofd. Als je die leren broek wegdacht, zou het zo een pastoor op weg naar zijn kerk kunnen zijn. Op weg naar honderden medegelovigen.
Hij vond het een idioot land. En een idiote stad. En een dom klein pleintje, die Dam in Emsterdem. Hij heette Kevin en droeg een driekwartbroek, witte sokken in sportschoenen en een Hawaïblouse. Zijn bril was een bril en zonnebril ineen.
Kevin stond op de Dam en keek naar zijn vrouw – die tien meter verderop stond. Hij had de kaart van Amsterdam in zijn handen en riep: “Ik wil naar McDonald.” Zijn vrouw riep iets en wees naar Madame Tussauds. Door een hard rinkelende tram, die een collega-toerist bijna het leven kostte, kon hij zijn vrouw niet horen, maar dat deed er niet toe. Het ging om hem. Hij wilde eten. Hij wreef zelfs over zijn buik om aan te geven dat die het voor het zeggen had.
Maar zijn vrouw – met eenzelfde omhoogklapbare zonnebril – was onverbiddelijk en marcheerde naar het wassen beeldenmuseum. Hij keek naar haar billen en gooide gefrustreerd zijn kaart op de grond en draaide zich om. Hij bleef met zijn armen over elkaar staan, met zijn rug naar zijn vrouw. In zijn houding zat de verwachting dat ze wel terug zou keren. Maar dat deed ze niet.
Kevin keek nu hulpeloos. Hij raapte zijn kaart op en liep naar het stoplicht, waarbij hij om de drie seconden ‘Hé’ tegen zijn vrouw riep die al aan de overkant was. Toen hij eindelijk bij haar was, zei zij: Misschien hebben ze van Ronald McDonald ook wel een wassen beeld gemaakt.
Zo’n zomer zonder kop of staart. Dat is altijd met zomers. De buren zijn weg. Je familie sms’t vanuit de Costa del Sol. En jij zit, waar je zit, terwijl de tijd stil blijft staan.
Als je door Amsterdam loopt, voel je dat. Je voelt een afwezigheid. Iets zielloos. En dat stoort me. Eigenlijk moet iedereen altijd aanwezig zijn, desnoods van bordkarton. Want nu heb ik het gevoel dat iedereen gestorven is en dat alleen ik nog leef.
Toen ik in De Baarsjes woonde – twintig jaar terug, ging mijn bakker vier weken naar Amerika - als een soort Berend Botje. Leuk voor haar. Maar waar moest ik met mijn dagelijkse halfje brood en een chocoladecroissant naartoe? Naar de Albert Heijn? Ik heb haar toen een boze brief geschreven. Dat ze mijn hele ritme door elkaar schopte. Dat ik haar miste – als een kind die zijn moeder mist.
Toen ze de luiken van haar bakkerijtje na die lange vakantie weer opende en de toonbank had afgestoft, had ze de brief op de winkeldeur gehangen. ‘Van een lieve klant’, had ze erbij geschreven. Ik las de brief, alsof ik hem niet zelf geschreven had. Wellicht zag ze dat ik bloosde, want ze zei direct: ‘Die is van jou, hè.’ Daarna liet ze een stilte vallen. Ik deed mijn bestelling, rekende af en vertrok. Maar misschien hadden we elkaar even moeten omhelzen – de bakker en ik. Dat bedenk ik nu – twintig jaar later.
Op Amsterdamse terrassen word je vreselijk slecht bediend. Dat stond in een onderzoek van het horecavakblad Misset. Bij café Luxembourg aan ‘t Spui moesten de onderzoekers twintig minuten wachten tot ze geholpen werden. Bij Dantzig was dat zelfs drie kwartier.
Dat laatste café is inderdaad een ramp. Als je al bediend wordt, krijg je doodgeslagen biertjes tegen topprijzen. Betalen duurt vervolgens nog een half uur, als je mazzel hebt. Chagrijn en onkunde is het handelsmerk. Op zo’n zeurderige toon krijg je altijd te horen: "Mijn collega komt zo bij u." Of nog erger: “Ik mag alleen de glazen ophalen.” Als je dan toch een keer mag afrekenen – als je niet een rekening krijgt waar de drankjes van de buren ook op staan – schrik je je het apelazarus. De prijzen staan namelijk in geen verhouding met de kwaliteit van de bediening.
Dan hebben we het over een a-locatie. Aan de Amstel, altijd in het zonnetje, vlak onder de werkkamer van de burgervader – in het bestuurlijke hart van Amsterdam. Daar zit ook direct de oplossing. Laat Cohen er een peloton ME’ers doorheen jagen, onteigenen, om er vervolgens een gastvrije kastelein in te zetten. Dat is immers ook in zijn belang.
In diezelfde Stopera zit Els Iping. Burgemeester van de binnenstad. Zij gaat over de terrassen. Die mogen vooral niet gezellig zijn. Staand een biertje drinken, is bijvoorbeeld verboden. Dus als de horecaondernemers zichzelf niet de das omdoen, dan doet de overheid het wel.
Cohen is meer een vader dan een meester. Dat dacht ik, toen ik een interview met hem las in Het Parool. Een meester is streng. De vader heeft daarnaast ook begrip. Hij zal nooit duidelijke lijnen trekken, nooit met de vuist op tafel slaan en altijd alles met nuances omkleden.
Dat maakt Cohen ook wel lief. Zoals hij zorgt voor zijn vrouw die in een rolstoel zit. Zoals hij spreekt. Zoals hij zijn schouders met roos laat bepoederen. Het heeft iets van de vader die zijn zoon oproept ‘toch een beetje je best te doen’. Hij eist het niet. Althans, niet in zijn woorden.
Nog steeds staat hij achter zijn eigen slogan: de boel een beetje bij mekaar houden. Hoewel hij hem soms ook dramatisch omdraait door te zeggen dat we de boel bij mekaar moeten brengen. Dat laatste is meer een opa dan een vader. Opa’s zijn altijd wat harder, wat meer verbitterd.
Als vader voor de burgers is dat een goede slogan. Maar het is niet die van een meester. Die spreekt met de vuist op tafel en vlammende ogen. Die accepteert het niet als mensen niet meedoen. Die nagelt mensen aan de schandpaal als ze het verzieken voor anderen.
In het interview laat hij in het midden of hij zijn hele periode als burgemeester uitdient. Ook daarin is hij wollig: we zullen zien. Dat is de vader. Terwijl de zoon misschien wel vraagt: geef eens duidelijkheid.
Toen mijn zoon geboren werd, kreeg ik van Lodewijk Asscher een rompertje met zijn naam erop. Vorige week stond in Het Parool dat hij dat vervolgens abusievelijk had gedeclareerd. “17,90, romper met de naam ‘Laurens’.”
Ik sms’te hem om te vragen of ik het rompertje terug moest sturen. Laurens was er inmiddels toch uitgegroeid. Hij sms’te terug dat hij verschrikkelijk baalde. Dieptepunt in acht jaar politiek. En ja, het was dom. Het was onzorgvuldig. Eric van de Burg – VVD fractievoorzitter – verbaasde zich er ook over. Een man die altijd zo onkreukbaar is, zei hij in Het Parool. Daar verwacht je het niet van.
Misschien is het ook wel goed. Hij was toch het zondagskind. Het ging allemaal zo makkelijk. De politiek. Een boek. Een promotie. Een mooie blonde vrouw. Twee nog mooiere kinderen. Het was alsof het geluk onuitputbaar was. Hij viel nooit eens lekker van zijn fiets.
En laten we wel wezen: een politicus moet ook lijden. Zoals Wouter Bos nu elke dag lijdt. Of zoals Eberhard van der Laan zo prachtig zuchtend door het leven gaat. Of Robbie Oudkerk – wiens lieve ogen een bepaalde eenzaamheid in zich hebben en eigenlijk hardop schreeuwen: neem me terug.
En eindelijk is het Lodewijk ook gegeven dat hij het hoofd buigt. Dat hij verdrietig is. Dat hij een mens blijkt te zijn. Dat zijn mond naar beneden draait. Uiteindelijk zal dit hem goed doen. Amsterdammers houden van mensen die af en toe verdriet hebben.
Het was groener. En de bosjes waren voller. Rondborstiger. Voor de rest was het precies zoals toen ik er woonde. De ecobuurt in Westerpark. Ik was er jaren niet geweest. Nu liep ik er weer doorheen en de emoties golfden door me heen.
Een jaar of acht geleden. Ik woonde bij een kunstenaar die de mooiste kamer in het huis als atelier had. Hij schilderde vreselijk en liet me te veel betalen voor een paar oningerichte kamers met linoleum op de grond. Maar dat was nog het minste wat me deerde. Ik had een relatie laten klappen en was er vandoor gegaan met een politica. Het verdriet van toen kwam weer in volle teugen boven.
Toch dacht ik vooral aan een sigaret toen ik naar het licht in de kamer van mijn oude huis keek. Ik ben acht jaar geleden gestopt. Op die plek. Ook weer begonnen. Maar ook weer gestopt. Wat een ellende. Op het terras van Café Restaurant Amsterdam – waar ik elke dag koffie dronk en een sigaret rookte –spoten de herinneringen me om de oren. Het leek alsof mijn geest er nog hing, alsof ik met mezelf sprak.
Die ecobuurt is een merkwaardig gemengde buurt. Een Turkse vrouw met een traditionele jurk en hoofddoek op reed op een mountainbike. Aan de andere kant van de bossages hoorde ik mensen met een plat-Amsterdamse tongval barbequen. En er liep een jongen van begin dertig met een gebogen hoofd te roken. Hij groette me.