Martin Bril. Ik kende hem niet. En toch weer wel. Ik kende hem van de Volkskrant. Elke dag nam hij me mee met zijn woorden – via prachtige zinnen, briljante komma’s, heerlijke witregels – altijd eindigend in een mooie glimlach. Een dag zonder hem voelde als de dood. Koud.
Hij vertelde. Hij wandelde door Amsterdam en dan liep je met hem mee. Over de Nassaukade. Door de Kinkerstraat. Samen met hem knipoog je naar een moslima. Samen met hem zie je een opwaaiend rokje.
Zo simpel. Zo wellevend. Zo is Amsterdam ook. Dat zie je met dit weer. Op de terrassen zitten honderden Brillen. Allemaal kijken ze. Naar de jonge decolletés. Naar de glimmende herenschoenen en naar kokette hondjes met een roze halsband. Amsterdam kijkt, maar Amsterdam schrijft niet.
En dat is dan weer jammer. Amsterdam zwijgt – zoals een dode zwijgt. Ze laat het gebeuren. Je weet niet eens of ze een uitdrukking op haar gezicht heeft. Ja. Zoals Huub van der Lubbe het ooit beschreef: de stad is een hele mooie vrouw. Zo is het. Gracieus, sensueel. En toch. Verder niks. Ze praat niet.
De afgelopen weken was ze op haar mooist. Amsterdam. Als de bloesem op de grond dwarrelt. Als de terrassen zacht babbelend naar de avond wandelen. Als de gracht een lief bootje draagt met twee jong geliefden die al kussend bijna tegen een rondvaartboot varen. Prachtig. Waarom zou je dan spreken? Terwijl zwijgen zoveel mooier is.
Afgelopen weekend stond ik in het Olympisch Stadion. Een voetbaltoernooi. Met de belangrijkste mensen van de stad. Te weten: zij die over u beslissen: de ambtenaren en politici van Amsterdam. Hatseflats. Één bom op het stadion en de hoofdstad was onbestuurbaar geworden.
Die bom is gekomen. Althans. Bij mij. Mijn lichaam voelde een dag daarna als een harp die te strak bespannen staat. Als een worst die bekneld zit in zijn eigen vel. Als een Marokkaan zonder brommer. Als een boom zonder schors. Kortom: ik word oud. Ook de zon heb ik rücksichtslos mijn lichaam laten tatoeëren. Mooi rood is niet lelijk. Maar wel als het aanvoelt alsof je net gebarbecued bent.
Enfin. Terug naar het voetbal. Ik zat in het team van de politici. En daar wil iedereen van winnen. Linksom of rechtsom. Harder. Gemener. Het is alsof de ambtenaren wilden zeggen: nu zijn wij de baas. En dat waren ze. Wij verloren kansloos.
Ik heb het weer van dichtbij meegemaakt. Het spijt me te moeten zeggen. Maar onze volksvertegenwoordigers zijn langzaam. Het zijn echte ‘voetbalpolitici’. Beetje zeikerig. Altijd vragen stellend (‘Scheids!’) en ze denken dat ze vreselijk goed zijn, terwijl ze de bal eeuwig heen en weer tikken om maar tot een compromis te komen. Het eindresultaat was bedroevend. Wij scoorden één keer in vijf wedstrijden. Het was dat de doelman zo vreselijk goed was, anders hadden we helemaal onderaan gebungeld. Die doelman was ik.
De homo in Marcouch is wakker. Heerlijk wuivend staat hij aan de Sloterplas. Homocafé. Homoparades. Homonota. Ahmed Marcouch toonde afgelopen week weer dat hij een merkwaardig politicus is.
Ik was klaar met de moslim in Marcouch. Hij had dat drammerige van een evangelist. Hij toonde zijn liefde voor ‘schriftgeleerden’ die geen vrolijke uitspraken deden en verzon tal van idioterieën als koranlessen op openbare scholen, hoofddoekjes voor politieagentes en zelfs een plan om een ‘bloeiende moslimgemeenschap’ te laten floreren in zijn stadsdeel.
De overdaad aan religie trok ik niet meer. Tot vorige week, toen hij met een roze zakdoek stond te wuiven. Want, laten we wel wezen: wat hij nu gedaan heeft – met die homonota - is een huzarenstukje. In de islamitische en Marokkaanse gemeenschap is dit geen makkelijk onderwerp. Zoals het ook niet eenvoudig is de Marokkaanse gemeenschap een spiegel voor te houden. Daar is moed voor nodig. Marcouch is een mooi voorbeeld van hoe je volgens de nieuwe PvdA-normen moet ‘confronteren’, zei Wouter Bos. Want dat is het. Hij knalt er in. Hij polariseert. Hij provoceert. En dan bereik je iets. Namelijk emancipatie.
Marcouch. Hij heeft de lente in zijn kop. Zoveel is duidelijk. En nu hoop ik dat het zonnetje blijft schijnen. Dat zijn oogjes blijven flikkeren. Er is namelijk nog veel te doen, want ook vrouwenrechten, vrije partnerkeuze en afvalligheid zijn levensgrote problemen in zijn stadsdeel. Niet alleen de homo’s, maar ook de ongelovige Fatima’s moeten zich vrij voelen.
Het meisje hing met haar voeten in het water. Ze zat naast haar vriendje op de rand van een bootje. Ze kuste het zonnetje. Zestien. Zeventien misschien. Haar vriendje keek naar de wallenkant waar iemand voorbij fietste. Hé, dat is Lodewijk Asscher, zei hij.
Het meisje vroeg wie dat is. Asscher? Een wethouder. Of burgemeester. Oh nee. Dat is Cohen natuurlijk, beantwoordde de jongen. Hij doet iets met de hoeren. Is ook vaak op televisie. Volgens mij is ie van de VVD.
Het meisje spuugde het woord ‘politiek’ uit als was het een kippenbotje dat dwars zat. Allemaal zakkenvullers. Op onze centen.
Daar was de jongen het niet mee eens. In Amsterdam doen ze het goed. Cohen vond hij een topper. Al was hij saai. Maar die Aboutaleb… Oh nee, die zit in Rotterdam. Ook wel raar. Een Amsterdammer in Rotterdam.
Dat vond het meisje nou helemaal niet raar. Je kunt toch overal wonen? En inderdaad, Wouter Bos woont ook in Amsterdam, wist de jongen – die even diep in het jongemeisjesdecolleté keek – en die is Feyenoordfan.
Dat vond het meisje wél raar. Als Amsterdammer voor Feyenoord zijn. Dan is er iets mis met je. Maar die is dan ook van de PvdA, zei de jongen. Dat kon wel zijn, maar het is wel een lekker ding, beantwoordde het meisjes.
Ze keken elkaar even aan en gingen toen heftig met elkaar zoenen alsof het gesprek daartoe aanleiding gaf. Heerlijk. De jeugd.
Als u dit leest, weet u al wie de nieuwe wethouder van bouwputten, verzakte huizen en een onmogelijke metro wordt. De PvdA fractie praat daar maandag over de opvolger van Tjeerd Herrema. De naam van Jaap van der Aa wordt genoemd. Zou zomaar kunnen. Jaap is al een aantal jaren aan het freewheelen. Dus die wil nog wel een keer iets doen. Of Duco Stadig. Of Duco Adema.
Maar toch. Ik denk dat er een ambtenaarachtig type uit de hoge hoed komt. Iemand met een kreukvrije zone van enkele meters. Iemand met een stalen gezicht en een stemgeluid dat tikt als een klok. Ik zie een soort Piet Hein Donner voor me die ijskoud op een zwarte opoefiets naar het stadhuis komt.
Raar eigenlijk. Als je zo’n baan aanneemt, weet je dat je niks kan doen. Je kunt alleen maar melden dat het wéér duurder wordt en wéér meer vertraging heeft. In die zin zou ik het ook kunnen. Ik kan ook een moeilijk gezicht trekken. Wenkbrauw omhoog. Sonore stem. En een hele flauwe glimlach die zoveel zegt als: en toch komt die metro er.
Stiekem hoop ik op een orthodox gelovige moslima in een boerka met een stem waar je graag naar luistert. Zo’n radiostem uit de jaren vijftig waar je rugharen van gaan trillen. Iemand die hoop geeft. Iemand die zo door de Heer wordt bijgestaan, dat die metrolijn ineens zonder verdere mankementen in 2010 gaat rijden.
Morgen lopen er negen stellen door mijn huis. Het staat te koop en dus is het al niet meer van mij. De kopers in spe hebben een oordeel over onze tafel. Ze vinden de vloer mooi. En ze kijken goed naar de trouwfoto die in mijn werkkamer hangt. Raar is dat.
Bij elke verhuizing denk ik weer aan mijn eerste. Toen ik naar Amsterdam kwam. Met een koffer vol dromen. Ik zie mezelf nog staan, in een lentezonnetje op het Bonaireplein (De Baarsjes), toen ik dacht: nu begint het. De grote schrijver is vandaag geboren. Ik ben de vader. Amsterdam is de moeder. Het leven is begonnen. Tevreden trok ik aan mijn sigaret.
Je ziet ze vaak lopen door de stad. Dromers. Jongens met kapotte spijkerbroeken. Meisjes met korte rokjes en een onzekere blik. Geweldig. Ze consumeren de stad, ze laten zich voeden. En Amsterdam kijkt naar ze, glimlachend. Heerlijk.
Ik weet nog dat ik voor het eerst in het Vondelpark liep, net twintig, nog amper haar op de kaken. De lentebloesem stoof door de lanen. Meisjes van dertig jogden over de paden. Ik schreef in mijn opschrijfboekje – dat ik altijd bij me had – dat ik vandaag voor het eerst met Amsterdam gevreeën had.
Vooral nu het weer lente is en ik met een kinderwagen in datzelfde park loop, denk ik aan die eerste vrijpartij. Amsterdam was lief voor me. Zoals Amsterdam voor iedereen lief is, als je maar blijft dromen.
Het Amsterdams college ligt op apegapen. Het is de Noord-Zuidlijn. Die graaft letterlijk het gat waar burgemeester en wethouders indonderen. Wat ik begreep, komen er namelijk nog een paar tegenvallers. Van die hele rare. Waarvan iedereen denkt: waarom hebben ze daar niet aan gedacht?
Er is inmiddels een commissie gevormd die alles onderzoekt. Die staat onder leiding van de christen Maurice Limmen. De onderste steen moet boven komen. Maar het punt is dat die te zijner tijd vanzelf boven komt in één van die drassige bouwputten. De commissie zal iedereen horen en dan in haar eindrapport spreken in termen als: ze waren naïef. Ze waren goedgelovig. Ze waren dommig.
En dan? Dan niks. Immers alle partijen stemden destijds mee. Alle partijen vonden dat die lijn er moest komen. En toch. De verwachting is dat het college het rapport niet overleeft. Er moeten koppen rollen. En als nu Maarten van Poelgeest opstapt, stapt iedereen op.
En dan? Dan komt er een nieuw college. Zelfde mensen: 'De stad moet toch bestuurd worden.' Zelfde ideeën: 'Die metro moet er gewoon komen.' En de mensen van toen, die al die naïeve besluiten namen? Die hoor je niet meer. Die praten niet meer. Die richten zich op hun huidige werk en spreken zinnen als “met de kennis van nu had ik anders beslist”.
Drie keer zo duur. Tien jaar te laat. Maar dan blijkt het onmogelijk er ook treinen doorheen te laten gaan.
Singelhoeren zijn gelukkige hoeren. Dat stond in de krant. Het zijn over het algemeen wat oudere en zelfstandigere vrouwen. Lodewijk Asscher – wethouder van pingels, pooiers en prostituees - had dat niet gezien. Hij wilde ze weg hebben rond het gebied Singel en Spuistraat. Maar de dames protesteerden. En met succes. Ze mogen blijven.
Ik ben spediaal naar dat gebied gegaan om zelf te checken hoe gelukkig de dames zijn. En inderdaad. Ze keken allemaal vriendelijk. Ze glimlachten en ze klopten op de ramen, wellicht om een praatje te maken. Allemaal ontzettende happy hookers, die het werk eigenlijk alleen voor het plezier doen. Heerlijk. Ze bestaan dus.
Alleen de klandizie. Die keek helemaal niet vrolijk. Natuurlijk, het was koud en er hing regen in de lucht. Een man met een hond keek schichtig van links naar rechts. Drie dronken Marokkaanse jongens lachten een dikkere hoer uit. Een man met koffer controleerde nog even of zijn rits dicht zat. In hun ogen zag ik het verdriet. Een afgeketste zakendeal. Een mislukte schoolcarrière en hommeles met moeder de vrouw. Ze gingen hun frustratie wegspuiten.
En Lodewijk zelf – de jongen die het Wallengebied een beetje, wil fatsoeneren, wil decriminaliseren? Die kijkt altijd vrolijk. In tegenstelling tot zijn voorganger heeft hij niks met hoeren. Hij benadert dat stuk stad net als de Noord-Zuidlijn. Hij ziet kosten en baten. En met beide projecten ziet hij vooral veel pingels over de balk vliegen.
ls de dood, dat de dood, de dood in de pot zou zijn. En toch gebeurde het. LuXVoor is dood. En nu is er niks meer. Geen podium. Geen website. Geen netwerk aan leuke mensen. Alleen nog een begrafenis. Dat dan weer wel.
Zucht.
Even ademhalen.
Dan de herinnering. Ik denk aan Rob Oudkerk en zijn bijna-comeback. Ik denk aan een drinkende en rokende Paul Scheffer. Ik denk aan een uitgebluste Hans Dijkstal, die zijn partij gegijzeld zag. Ik denk aan de leegheid van Pechtold en Rutte. En als ik mijn ogen dicht doe, hoor ik de opzwepende nasale stem van Felix Rottenberg. Ik denk. En ik zie. En ik voel weer. Ik voel ze weer allemaal.
En de geestverwanten. Wij allemaal. Politicofielen kwamen samen om te praten met elkaar. Mensen van West Wing. Mensen met ‘lef’, met ‘niet nix’. Mensen die – hoe dom ook – de seks zien in de politiek. Mensen die het leuk vinden om gedachten op een podium af te schieten of meningen op te rapen en te koesteren. Het gebeurde bij LuXVoor.
En de ideeën zelf. Die in De Volkskrant, NRC en Het Parool verschenen. Ideeën die Marc den hertog bundelde in het boek ‘De handleiding van de toekomst’, waar ik zelf nog een bijdrage aan leverde. Het boek verkocht voor geen meter en verdween in het niets, zonder dat we er iets aan konden doen. En toch. Een boek. Dat staat. Daar mogen we trots op zijn.
Ik ben een overdrijver. Toch is mijn verdriet geen uitgeknepen traan. Nee. Ik geloof echt dat dit het einde van een tijdperk is. Voor mijzelf. Maar ook voor een heleboel anderen die hun eigen weg gingen. LuXVoor was namelijk een generatie die ten strijde trok tegen dik gevreten babyboomers die goed voor zichzelf zorgden. Een groep mensen met grootse en meeslepende idealen. Totdat ze verder gingen met hun eigen leven. Nu is dat punt gekomen. Wij gaan verder. Met andere dingen. En we begraven LuXVoor in ons hart.
De laatste bijeenkomst van LuXVoor mag geen treurige gebeurtenis zijn. Het moet als een film zijn. Met een open einde. Met een gevoel van: er is nog meer. Eigenlijk willen we op vrijdag 13 maart een vrolijke, liefdevolle, begrafenis. Huilen mag. Maar ik hoop ook de geboorte te zien van nieuwe clubs, nieuwe bewegingen die de wereld op hun schouders torsen, zoals wij dat deden. Mensen die dat liefdevol doen, zoals wij dat deden. Dat is misschien wel de luxe van dood gaan. Er zijn altijd mensen die je leven voortzetten.
Marcel Duyvestijn is liefdevol lid van de PvdA en LuXVooriaan.
Ik zat op een bank in het zonnetje. In het Vondelpark kwamen de eerste narcissenkopjes op. Joggers hobbelden voorbij. Een hond rende achter een bal aan, maar rende eraan voorbij en keek vervolgens als een onnozele ezel in het rond.
Er daalde een lekkere leegte over me neer. Alsof Amsterdam niet bestond. Of nog mooier: alsof ik zelf niet meer bestond. De grootsheid van het Vondelpark krijgt dat voor elkaar.
Terwijl ik wegzakte in mijn eigen vrede, kwam er een man in een rode broek naast me zitten. Hij had een stok in zijn handen, die zijn hond op het veldje nog aan het zoeken was. Hij zuchtte, stak een sigaret op en keek naar een kop in mijn krant: Kent u slachtoffers van de crisis?
Hij lachte. ‘Niet alleen van de crisis’, zei de man met zijn ogen dicht. Ik keek hem aan. Ik hoefde niks te vragen, hij vertelde zijn verhaal toch wel. Zijn vrouw had hem verlaten. Zijn huis wordt hij uitgezet. Zijn aandelen zijn waardeloos. ‘En het begon allemaal met het Damrak.’ Hij bracht het als een geloof. En in die zin was het ook: het Damrak is de kerk van de hebzucht. Ik zei iets over Jezus die de geldwisselaars de tempel uit sloeg. Om aan te geven: zo gaat dat. Grootheidswaan kruisigt zichzelf.
Hij was even stil en sloeg me toen op de schouders. ‘Je zal verdomd veel gelijk hebben. Maar wat heb ik eraan?’