De receptie liep ten einde. Aan een tafeltje verderop zaten twee mensen. Één in een rolstoel, de ander gehurkt ernaast. Ze waren rond de zestig, maar leken wel twintigers die diep in elkaars ogen keken. Zij sprak. Hij luisterde en stopte een borrelnootje in zijn mond. Hij keek begripvol. Daarna keek hij even naar buiten en glimlachte. Geweldig. Job Cohen en zijn vrouw, Lidie. Liefde bestaat.
Het was bij het nieuwjaarsconcert in het Concertgebouw op 1 januari. Alle hotemetoten van Amsterdam vlogen elkaar daar om de hals. ‘Jullie maken Amsterdam’, had de burgemeester in zijn toespraak gezegd. Daarna had hij de ‘zegeningen’ van de stad benoemd. Met een bezem door de wallen. De wielklem afgeschaft. En (…) Hij noemde er nog een paar, maar die zijn me ontschoten.
Wat me bijbleef, was zijn passie. De laatste tien dagen van 2008 had Het Parool de tien ‘zeperds’ van het gemeentebestuur uitgemolken. De Noord-Zuidlijn. De afvalenergiecentrale. De stadsdelen. Cohen was daar boos over. Waarom toch zo negatief? Als hij dat zegt, gloeien zijn ogen.
En toch. Het mooiste moment van de avond waren die laatste vijf minuten, toen het personeel de mensen uit de zaal bezemde. Cohen boog zijn hoofd. Hij luisterde naar zijn vrouw en keek haar van onderen aan, verlegen. Hij glimlachte even, zoals James Dean dat zou doen. Toen kuste hij haar even en stond op. Met een rechte rug duwde hij de rolstoel naar buiten. ‘We gaan.’
Mijn buurman is Christen. De afgelopen dagen is hij een paar keer naar de kerk geweest. Ik zag hem steeds blijer worden. Het was duidelijk dat Jezus in hem gevaren is. Hij zweefde welhaast. Maar vooral die glimlach was er één voor een kerstkaart.
Zou ik ook wel willen, Christen zijn. Het is dat God me nooit ziet staan, anders zou ik me erin onderdompelen. Heerlijk bidden. Heerlijk knielen. Heerlijk verlossing vragen. Misschien zou ik me zelfs bij de Pinkstergemeente aansluiten. Onder leiding van oud-ChristenUnie raadslid Yvette Lont worden daar Christenen van hun aids af geholpen. Sapperdeflap. Ik heb geen aids, maar als Jezus me geneest, zou ik het wel willen hebben.
Ik zou ook de wijken ingaan. Lekker iedereen bekeren. Met de bijbel langs de deuren in nieuw-west. Daar mag niemand meer op straat rondhangen, dus wat doen al die gasten binnen? Precies, die willen iets lezen. Iets met God. Of Jezus. Of iemand anders om mee rond te hangen.
Als ik toch eens Christen kon zijn. Moslim is ook leuk. Lekker een schaap slachten. Je vrouw een burka omwikkelen. En vijf keer per dag op je knieën. Heerlijk.
Maar ik kan het niet. Het ligt niet aan God. Het ligt aan mij. Ik hou namelijk niet van religie. En dan kun je wel in je eentje bidden. Maar dat is niet alles. Misschien ontmoet ik in 2009 wel een God die me wil helpen te geloven.
Kerst is 'gezelligheid'. Mooi woord. Maar wat houdt het in? Het is in een andere taal niet te vertalen. Gemütlich komt in de buurt. Maar toch. Het typische Nederlandse gezelligheid blijft uniek. Het is een gevoel. Iets met familie. Iets met warmte. Iets met genegenheid. Iets met glimlachjes die gemoedstoestanden uitdrukken. Het is traditie.
Niemand vindt het leuk. Maar iedereen doet er aan mee. Ook dat. Het is verplicht afzien. Misschien overdrijf ik. Maar kijk eens om u heen. U zit misschien wel dit stukje te lezen, terwijl de kaarsjes flikkeren en de kleinkinderen de boom molesteren. Kijk eens naar de ogen van de mensen om u heen. Kijken ze treurig of twinkelen ze van geluk? Ik zie het eerste, maar doordat u hoopt dat het niet zo is, zegt u dat het buitengewoon gezellig is. In die zin is kerst net als het leven zelf. Ook het leven is nutteloos. Zinloos. Waartoe zijn we op aard? Om doelloos rond te banjeren om dan dood te gaan. En toch. We weten dat dat zo is, maar als we ons daaraan overgeven, wordt het leven er niet vrolijker op. En dus doen we net of het leven niet zinloos is.
Met kerst oefenen we de zinloosheid. We doen net of het leuk is. Maar we zeggen hard dat het wel leuk is. Dat houdt ons op de been. Daarom wens ik u een zinloze kerst en nutteloos 2009 toe.
Ik schrijf er zelden over. De metrolijn die voor zoveel ellende zorgt. Niet interessant. Of erger: voorspelbaar. Je weet dat er elk jaar 70 miljoen bij komt. Je weet dat ze een slechte aannemer hebben gekozen. Je weet dat meer panden verzakken. Je weet ook dat het allemaal gewoon doorgaat, jaar na jaar. 'Stoppen is geen optie.' Zegt de wethouder die elk jaar een verbijsterd gezicht opzet, alsof het compleet uit de lucht komt vallen, die overschrijdingen. Lijkt me nog een hele kunst om elke keer te zeggen: onze berekeningen wezen anders uit.
Het is ook niet zijn schuld. Köhler (GroenLinks) en Groen (VVD) wilden hem graag. En de hele Gemeenteraad. Dat maakt het ook zo moeilijk. Alle partijen gaven hun fiat. Er is geen enkele partij die nu kan zeggen: dat zei ik toch.
Ik heb ook altijd gezegd: denk groot. We hebben een metrolijn nodig! Ik denk altijd groot. Dus toen ook. Laat ik dan ook niet de stoere vent uithangen die het aan zag komen. Maar toch. Noord-Zuid. En weer terug. Je wordt er cynisch van. Als ik langs de Vijzelgracht fiets en die borrelende pijpen zie, dat natte zand, die hekken die scheef staan, die verkeersborden die alle kanten op wijzen, behalve de goede, dan voel ik me slap worden. Dan denk ik ‘Jezus’. Wat zou hij ervan vinden? Letterlijk doormodderen. Misschien dat er ooit een trein doorheen rijdt. Over een jaar of honderd. Zucht.
Sinterklaas heeft in Amsterdam Marokkanen in dienst. Dat zei de Goedheiligman vorige week in een interview met Het Parool. Dan heeft hij namelijk geen last van die andere 'opdringerige' Marokkaantjes. Hij had, zo vertelde Sint, veel last van 'jongens die aan mijn baard trekken'. De 'ingehuurde Marokkaanse Pieten' konden deze jongens vervolgens in het Arabisch aanspreken.
Prachtig bericht. Ik moest er aan denken toen ik een Piet op een scooter zag rijden. Dan wist je direct: dat is een Marokkaanse Piet. Alleen Marokkanen rijden op scooters. Afgelopen week hield de politie honderden scooters aan van 'Marokkaans uitziende' jongens. Hun scooters werden gefotografeerd, ook als ze nog niks verkeerd hadden gedaan.
Marokkanen. Altijd in het nieuws. Altijd bezig. Is het niet met het geloof. Dan is het wel om de koning te adviseren dat hij in moet grijpen, omdat zijn onderdanen in Nederland teveel integreren.
Wat zou ik doen, als ik Marokkaan zou zijn? Wat zou ik denken? Ik denk dat ik de politiek in zou gaan? Of een boek zou schrijven? Of allebei. Kansen genoeg. Sterker nog, dit is het moment om beroemd te worden. Ga niet op de scooter, maar pak de fiets. Trek niet een Ali B.-trainingspak aan, maar een jacquet met vlinderdas. Mijd de woorden 'respect' en 'weet je'. De kans is groot dat de media je groot maken. Die willen ook wel eens een andere Marokkaan in beeld. De a-typische Marokkaan, een gat in de markt.
Als ik mezelf zie, in de spiegel, zie ik dat ik wallen heb waar je op kunt tippelen. Ik ben moe. Mijn leven is een mooi leven. Daar niet van. Maar ik verlang nu naar een warm bad om een week in te zitten. Om alleen maar voor me uit te kijken.
Met die ogen keek ik naar Roel van Duin. Hij stopt nu echt met de politiek. De kabouter. De provo. Hij is eigenlijk niet eens zo oud. En toch. Zijn glorietijd was 40 jaar geleden, toen hij als hippie in de gemeenteraad kwam. Toen hij Amsterdam een gezicht gaf. Dat van bloemetjes. En flower power.
Het lijkt een marginaal figuur. Een idioot. Maar toch. Je kunt geen geschiedenisboek over Amsterdam openslaan en je komt zijn naam tegen, vanwege de absurde jaren zestig. Alsof hij in z’n eentje alles veranderde. Daarna kon het alleen maar minder worden. Als twintiger pieken, is als zestiger vergeten worden.
In Het Parool stond een gigantisch portret. Mijn eerste reactie was dan ook: Roel is dood. Een provo is gestorven. Maar nee. Hij neemt alleen afscheid van deelraad Oud-Zuid. Ze hadden een hele voorpagina aan hem gewijd. Alsof er geen bomaanslagen in India waren. Alsof de economie niet op z’n knieën zit. Nee. Roel gaat de politiek uit. Maar eigenlijk deed hij dat veertig jaar geleden al. Dat zijn ze destijds vergeten te schrijven. Vandaar dat ze dat nu alsnog doen.
Ik liep over de Wallen. Nu ze er nog zijn, besloot ik er van te genieten. Het zullen best allemaal boeven zijn, die uitbaters. En die vrouwen zien er inderdaad niet gelukkig uit. En toch. De Wallen. Het blijft uniek. Zeker nu het koud, nat en glad is.
Een man in een lange bruine jas fluistert naar een negerin die haar deur op een kier heeft gezet. Ik vang flarden van een gesprek op. 'Alleen even pijpen.' Hij kijkt smekend. 'Moet dat zo duur.' Hij doet een poging tot een glimlach. Maar nee. De vrouw is onverbiddelijk. En dus loopt de man door. Dat doet hij iets te snel, waardoor hij tegen een groepje Marokkaanse jongens aan loopt. Een jongen met een leren jasje valt – door de gladheid – direct om en de man in de bruine jas valt er bovenop. Even kijken ze elkaar aan. Hun monden zijn dichtbij elkaar. Ze zouden kunnen gaan zoenen. Maar dat gebeurt niet. De jongen geeft de man met zijn bruine jas een duw waardoor deze van hem afrolt: 'Flikker op, vent.'
Einde schouwspel. Maar je hoeft maar even te blijven staan om het volgende schouwspel te zien. Een stel uit Polen. De man kijkt vol begeerte. Daardoor rukt zijn vrouw zich los en loopt boos verder, zwaaiend met een arm. Ze zegt ongetwijfeld iets onaardigs. Misschien moet Cohen ook naar de verhalende kant van de Wallen kijken, voordat hij de boel sluit.
Een klein autootje op de A10. Met daarin Sint (zonder mijter) en Piet (zonder pruik). Ze hadden ruzie. Ze sloegen elkaar. Piet reed. Sint toeterde. Ik stond ernaast en keek naar het tweetal dat samen met mij in de file stond.
Dan woon je echt in Nederland. Met Sint en Piet in de file. Het regende. Het waaide. Het was tegen zessen en de maan scheen nergens door de bomen.
Een paar jaar geleden zag ik Sint en Piet op een bankje vlakbij mijn huis zitten. Ik woonde toen nog op de Koninginneweg tegenover een groot hotel. Daar zette ik mijn fiets op slot, terwijl ik luisterde naar hun gesprek. Zij zaten op het bankje verderop.
Ze fluisterden. Piet schuifelde met haar voeten. Sint nam het woord: Ik kan Annemarie nu niet alleen laten. Niet alleen met de kinderen.
Piet keek naar de hemel. Het is kiezen, Kees. Kiezen tussen Annemarie en mij. Ze wilde haar zinnen zo strak mogelijk uitspreken, maar alle woorden bibberden.
Sint had dat feilloos in de gaten. Hij ramde met zijn staf op de grindtegels. Dat kun je niet maken, zei hij. Zonder er verder een woord aan vuil te maken, beende hij weg. Hij keek mij even aan toen hij me passeerde. Toen stak hij de weg over. Toen er een auto vrolijk toeterde, had hij weer in de gaten hoe hij er uit zag. Als Sint. Zijn ‘heerlijk avondje’ moest nog komen.
Ik was zo’n sukkel die niet belegde. Ik had wel een spaarrekening, maar daar stond en staat zo weinig op dat ik het niet naar IJsland hoef te brengen. Ik ben arm en zal altijd arm blijven. Omdat het me zo weinig interesseert, dat geld. Dat Noord Holland nu zwaar in de problemen zit en zelfs Peter Visser bij NOVA mag aanschuiven, laat me koud. Ik heb er zelfs geen mening over.
Op dit soort momenten denk ik altijd even aan Jezus, die de geldwisselaars de tempel uitjoeg. Eigenlijk was het toen net zo’n tijd als nu. Ook toen stond geld symbool voor ‘verleiding’, voor oneerlijkheid, voor hebzucht. Dat terwijl tempels toch bedoeld zijn om God te aanbidden.
Jezus was toen een naar mannetje. Een beetje een huftertje. Als je de bijbel leest, weet je ook dat Jezus een PvdA’er is. Hij is vaak korzelig, vaak kortaf en ontzettend ongeduldig. Regelmatig valt hij uit naar zijn vrienden en vraagt hij hoe vaak hij het nog uit moet leggen. Dat is dus een PvdA’er onder PvdA’ers, betweterig en egocentrisch.
En toch. Ik heb wel iets met Jezus. Ik mag hem wel. Liever iemand die wrevel oproept, dan iemand die geen enkele emotie oproept. In die zin hou ik ook meer van Ton Hooijmaijers dan van Peter Visser. Ik durf zelfs te zeggen dat ik liever Geert Wilders zie fulmineren, dan Ella Vogelaar hoor stotteren.
Maar goed. Terug naar Jezus. Ik heb niks tegen de mensen die zijn naam met liefde uitspreken. Sterker, ik vind het dapper om iemand dag in dag uit te danken voor iets wat diegene 2000 jaar geleden deed: sterven voor ons.
Ook diens vader, in de hemel, heeft wel iets. Liet zich nimmer zien, maar is toch de meest populaire vent ter wereld. Dan heb je toch het charisma van Obama, maar dan in tienvoud.
Ik heb dus niks tegen de zoon, niks tegen vader, zelfs niks tegen de heilige geest en hun fans. Waar ik problemen mee heb, zijn de dwingelandjes die mij – als agnost – de wetten opleggen. Rouvoet, Donner, Hirsch Ballin, Balkenende. Het zijn onze coalitiegenoten. Maar als het aan mij ligt, is dat snel voorbij.
In deze christelijke kabinetsperiode wordt er namelijk continu gemorreld aan vanzelfsprekendheden. Homohuwelijken, IVF, embryoselectie. gezinssamenstellingen. Zaken die me raken. Maar vooral de continue pogingen de vrijheid van meningsuiting op slinkse wijze in te perken.
Slinks? Ja. Het is veel PvdA’ers ontgaan, maar als het aan Hirsch Ballin ligt, worden godslasteraars (mensen die roepen dat god een lul is) sneller en harder vervolgd. De PvdA keek alleen naar de worst die de minister van justitie hun voorhield. Hij schaft namelijk wel artikel 147 af. Dat is het verbod op de smalende godslastering. Wat hij echter niet hardop zegt, is dat hij dat in artikel 137 heeft verplaatst.
Zo laten we ons weer ringeloren. Of in ieder andere woorden: briljant genaaid. Hoewel Hirsch Ballin ons verzekerde dat cabaretiers, columnisten en andere opiniemakers zich geen zorgen moesten maken, als ze iets onaardig over God en diens fans zouden zeggen, was minister Donner – die eerder het verbod op het beledigen van God nieuw leven in wilde blazen – op de radio secondelang stil na dezelfde vraag.
Christenen. Ze lachen. Ze aaien je over je bol. Maar geef ze geen millimeter ruimte. Juist op het moment dat Wouter Bos tot zijn nek in de financiële crisis zit – en dus gesloopt is -, komt zijn CDA college met deze slinkse wijziging. Het zou goed zijn als Bos - onze rooie messias - deze godsdienstwaanzinnigen zijn tempel uitjaagt.
Deze column verscheen eerder in het blad voor de PvdA Noord Holland - de Provinciaal
Job Cohen zit in China. Amsterdam moet namelijk paaien, buigen en lief zijn voor de Chinezen, zodat ze hun bedrijven in de hoofdstad vestigen. Een opkomende economie moet niet geschoffeerd worden.
Wie er ook heengaat, altijd spelen de mensenrechten een rol. Een land met zoveel menselijke ellende, met zo weinig vrijheid en democratie… Ga je daar zaken mee doen? Meestal is het GroenLinks die die vraag stelt. De VVD wil de handel altijd voorop stellen, mensenrechten komen drie stappen later. De SP heeft zelf een communistisch verleden. Jan Marijnissen was zelfs idolaat van Mao. Dus die zullen ook niet snel iets zeggen. En de PvdA vindt dat de burgemeester het onderwerp altijd op de agenda moet zetten. Bij punt 24 – de rondvraag.
Een wassen neus. Je hoort Cohen al zeggen: We hebben zorgen, meneer Ping. We willen wel zaken doen. Maar u moet ook lief zijn voor de mensen. Dus zegt meneer Ping dat-ie lief is voor iedereen. Kunnen we nu het contract tekenen?
We zijn een handelsnatie. En Amsterdam is er groot mee geworden. Wij slikken bezwaren graag in, alles voor de lieve vrede. Want handel rendeert als alle groepen te vriend gehouden worden. Zo gaat dat met de Chinezen, maar ook in de discussie rond de multiculturele samenleving. Ook daar wordt kool en geit gespaard. En Cohen is daar de duidelijkste vertolker van. Als hij al iets over de mensenrechten zegt, is het in een bijzin. Niet meer.