Al die debatten. Al die polonaises aan meningen. Al die vingerwijzingen. Het is voorbij. We gaan over tot de orde van de dag. Als politicofiel is dat jammer. Ik ben gek op gesteggel. Als mens is het beter zo. Ik denk namelijk dat het vertrouwen in de politiek niet veel groter is geworden de laatste tijd.
Ik hou van je. Dat weet je. (Ik zou je nu het liefst even willen omhelzen). We houden allemaal van je. Verdikkie. Je zwaaien. Je lach. Je moeder. Je hebt iets. Iets sympathieks. En toch. Die liefde is niet onvoorwaardelijk. Er zijn grenzen. Als jij bijvoorbeeld Nederland wilt teruggeven aan de Nederlanders vraag ik me af over welke Nederlanders je het dan hebt. En nu je zelfs een hardcore liberaal standpunt over de koopzondag loslaat voor één fundamentalistische christenstem, begin ik ongemakkelijk op mijn stoel te draaien.
Oja. Stemmen. Provincie? Ja. Waar je wel eens doorheen rijdt. Daar zitten bestuurders. En zogenaamde Statenleden. Ze gaan over groene dingen. Enzo. Ze gaan over bussen. Over provinciale wegen, waar je dan 130 mag. Met een wapperende hoofddoek in een sportwagen. Of toch weer niet. Soms. En over dijken. Oh, nee, dat is het waterschap.
Vrijdag stond er een mooi interview in De Pers met Sooreh Hera. Zij is fotograaf en werd bekend door haar foto’s die de islam en homoseksualiteit aan de orde stelden. Drie jaar geleden werden haar foto’s geweerd uit het Haags Gemeentemuseum. Er ontstond een rel en de doodsbedreigingen stroomden binnen.
Henk Bleker was op Twitter trending topic. Daar werd het meest over gesproken. In de top tien stond Khadaffi nog net in de top tien. Op zondag is de hashtag #boerzoektvrouw (of kortweg #bzk het belangrijkste gespreksonderwerp. Daaronder de namen van de boeren en hun vrouwen. #Mubarak moest het vaak afleggen tegen #Yvon.
Als iets rust gaf, was het slenteren door de zalen van het Stedelijk Museum. Het liefst ergens midden in de week, in een ochtend, als het museum leeg was. Ik kan me nog herinneren dat er weer een vrouw uit mijn leven was weggelopen en ik toen een exposite van Baselitz – een soort beschaafde Karel Appel - zag. Orgastisch. Toen ik het museum weer uitliep, wist ik niet eens meer dat ik ooit een vrouw gekend had.
Ik stem op personen. En op combinaties. Stemmen op partijen vind ik steeds ingewikkelder, omdat er in een partij altijd figuren zitten waar je niks mee te maken wilt hebben. In mijn geval zijn dat de Wallages en de Vogelaristen. Toch geloof ik ook in natuurlijke correcties. Partijen die elkaar corrigeren. Zoiets zag ik gebeuren bij Paars Plus. VVD en PvdA zouden elkaar corrigeren.
Alle debatten gaan overal over, behalve over de provincie. Daar sta je dan, als brave kiezer. Je ziet de usual suspects oreren in de tv-debatten. Cohen, Pechtold, Sap. Praten zij over de provincie? Nee. Zij hakketakken over bezuinigingen. Het moet eerlijker. Het moet anders. Het moet toekomstiger.
Balkenende. Soms mis ik hem. Die lieve ogen. Dat mooie lichaam. Zijn lieve Bianca. Jan Peter paste bij Nederland, zoals Jan Smit bij Nederland past. Simpel. Gewoon. Hardwerkend. Je voelde je veilig. Dat was het. Je wist dat Jan Peter op de dijk stond om het water tegen te houden. Als hij op televisie was, wilde ik hem altijd omhelzen. Even zijn sterke rugspieren door mijn handen laten glijden.
Het Islamtisch College Amsterdam wordt gesloten. Dat is mooi. Niet alleen omdat de school slecht presteert, maar ook omdat ze de integratie tegenwerkt. Honderd ouders schreven Lodewijk Asscher, wethouder onderwijs, vervolgens een brief waarin ze aankondigden dat ze hun kinderen thuis onderwijs willen geven.
Laatst belde een journalist op. ‘Heeft het Femkenisme nu al pootjes?’
‘Pootjes?’
‘Ja. Zit er al beweging in de Femkenistische beweging?’
‘We hebben een God. En er zijn discipelen.’
'Een fanaticus is iemand die niet van gedachten kan en niet van onderwerp wil veranderen.' Het citaat is van Winston Churchill. Als hij nu geleefd had, zou hij dit zeggen als hij dit kabinet aan het werk ziet. In de Treveszaal dendert het van de testosteron. Allemaal baasjes. Allemaal Rambo’s. Allemaal fanatici.' Een column van Marcel Duyvestijn.
Hij zat op zijn barkruk te roken. Zijn snor was bruin van de nicotine. Hij stootte klanken uit. ‘Egypte niet gevaarlijk. Egypte vrij. Egypte niet islam.’ Aan een tafeltje zaten twee Amsterdammers. Ze knikten met de Egyptenaar mee. Vooral de vrouw, met omhoog gestoken geblondeerd haar, herhaalde elke keer zijn woorden, maar dan met een toevoeging. ‘Nou het is me wat.’
(Uit de oude doos - januari 2008 - maar door het proces tegen Geert Wilders weer actueel - vond ik)
Mijn eerste sigaret was een heilige. Die kwam namelijk uit de Bijbel. Die had van die lekkere dunne pagina’s, waar je – met opa’s pijptabak – een geweldige sigaret van kon rollen. Alleen brandde hij wat snel op.
Khadija zei altijd: de PvdA moet keuzes maken. Voor bevrijding. Voor gewetensvrijheid. Voor mij. En ze moet die islam met alle toebehoren door de wc spoelen. Dan stond ze wild te gebaren. ‘De PvdA had toch nooit iets met het geloof?’ vroeg ze dan retorisch, terwijl ze haar glas wijn naast de Koran zette.
De man stond op het zebrapad. ‘De Heer ziet u altijd!’ Hij keek niet naar de taxi’s die links en rechts langs hem vlogen. Hij keek naar boven. Hij wees. En ik keek met hem mee. Een meeuw vloog langs, precies zoals Geert Wilders het graag ziet: langzaam, zwevend, relaxed. ‘Alleen de Heer kan u redden!’
Gisteren twitterde iemand dat ik ‘dikke vette stompen’ moest krijgen, omdat ik iets geschreven had over mijn vurrukkulluke moslima, Khadija. Ik ging mijn eigen tekst nog eens na. Stond er dat de islam achterlijk was? Of dat de profeet een pedofiel was? Nee. Het ging over een onmogelijke liefde tussen een moslima en haar niet-moslim. Dat is al een reden om iemand klappen te geven. Kennelijk.
Dit wordt een cynisch stukje. Soms trek ik het namelijk niet meer. Dan voel ik het zuur langzaam omhoog trekken. En dan moet het eruit. Dat had ik afgelopen week bij het debat over de missie naar Afghanistan. Vooral omdat je aan alles merkt dat dit debat niet over ‘mensen helpen’ gaat, maar over de eigen navel, over het eigen land.
Ik zag ze lopen, vannacht, in mijn droom. Sahar en Leers. Zij op teenslippers. Leers op zijn zwarte gaatjesschoenen. Hij moet af en toe dribbelen om haar bij te houden. Als ze vlak bij Kunduz zijn, houdt Sahar even stil. ‘Mooi, hè, Gerd? Welkom in Afghanistan.’
Als Khadija Jan Wolkers las, las ik haar gezicht. Ze vond het vies. Ze vond het schokkend. Ze vond het opwindend. Dat was altijd te zien op haar gezicht. Ze las vaak op een keukenstoel, bij mij aan tafel. Rechtop. Met het boek tussen haar duim en wijsvinger. Meestal lag ik in bed en deed net of ik ook las. Maar er kon geen boek tegen haar gezichtsuitdrukkingen op.