‘Ik ben een modelMarokkaan.’ Met zijn wijsvinger wrijft hij over het vlaggetje dat hij op zijn jas heeft genaaid. De Nederlandse vlag. ‘Ik ben Nederlander.’ Hij articuleert, als ware het een dreigement. ‘Als je hier woont, ben je verdomme Nederlander.’ Ik knik.
'De hoofddoek.' Hero Brinkman schuift wat heen en weer op zijn stoel. Hij plukt aan zijn stropdas. ‘Geen hoofddoek in het provinciehuis’, zegt hij hardop. Hij kijkt door zijn oogharen heen en ziet de kop van de krant al voor zich. Een tevreden glimlach is hoorbaar.
Elke keer als ik Ahmed Marcouch zie, wil ik hem omhelzen. Daar vraagt hij om. Die reebruine ogen. Die blik van verlegenheid. Je ziet de eenzaamheid als een lichtgrijze waas om hem heen. Die licht gekromde rug. Eigenlijk is hij kwetsbaar. Hij heeft die arm om z’n schouder nodig.
Ineens word je wakker in een Ander Nederland. Het is lente. De zon komt verlegen op in de straat waar mijn oma 95 jaar geleden geboren is. Ik ruik vers brood. De eitjes tikken vrolijk tegen de pan. Femke Halsema schenkt de jus d’Orange in.
Hij zit lekker in zijn vel. Mark Rutte. Je ziet het aan zijn ogen. Die glinsteren. Je ziet aan zijn vingerwijzen. Aan de blosjes op zijn wangen. Dat is ook niet zo raar, want iedereen is gek op Mark. En terecht. Hij is al een jaar in topvorm. Veel mensen binnen de PvdA zien de wederopstanding van Rutte als voorbeeld. ‘Rutte was twee jaar terug ook meer dood dan levend.’ Dat kan Cohen ook.
Ik ben gek op Geert. Het moet maar eens gezegd worden. En zeker hier. Onze partij kan namelijk wel wat populisme gebruiken. Populisme is bij ons een vies woord, terwijl het ook een vehikel kan zijn om mensen terug te halen naar onze partij.
Bianca belde me op een besneeuwde kerstochtend. Ik moest haar helpen. Haar altijd wat daadkrachtige stem brak bij elk woord.
‘Janpeter denkt dat wij een relatie hebben.’
‘Hoe…’
‘Hij heeft in mijn telefoon gekeken. En hij zat te snuffelen in mijn mail.’
‘Maar daar staat toch niks…’
‘Luister. Het beste is dat je het hier komt uitleggen.’
‘In Capelle?’
‘Ja.’
Toen ik trouwde, fietste ik met twee dichtbundels langs het huis van Remco Campert in Zuid. Het was mei. Mooi weer. Aan de overkant speelden kinderen op een schoolplein. Het concertgebouw ligt even verderop. Ik belde aan.
'Steeds vaker dienen die zich aan, de nuchtere polderende moslims.' Dat schrijft Fouad Sidali vandaag in De Volkskrant. Aangezien het comité voor liefdevolle leden zijn visie deelt hebben wij de PvdA'er gevraagd of we het stuk mochten publiceren.
‘Hallo. Wij zijn van de PvdA.’ En inderdaad. Aan de deur stonden twee jonge meisjes met rode jasjes aan. De één had een flyer. De ander een bos rozen. Ze glimlachten. Hun neuzen waren rood van de kou. Canvassers in het wild. Als ze Nescio gelezen hadden, zouden ze zeggen: meisjes waren we, maar aardige meisjes.
De eerste dagen van het jaar zijn van stroop. Je ruikt de zoetheid. Maar tegelijk plakken je vingers. Je lippen. Je voelt je tanden langzaam afbreken. Maar het zit ook tussen je tenen. Ondanks dat, steek je je vuist in de lucht en je roept dat het jouw jaar gaat worden.
De nieuwjaarsreceptie van de gemeente Amsterdam gaat niet door. Begrijpelijk. Maar jammer. Het was toch een traditie, een vol concertgebouw met Amsterdammers. Een burgemeester met een toespraak. Bier, bitterballen en babbels.
Ik had Willem Minderhout geïnterviewd voor De Leunstoel. En hij mij. We kennen elkaar al jaren, van cyberspace, maar we hebben elkaar maar één keer in levende lijve gezien, tien jaar terug. We willen het graag bij die ene keer laten. Daarom besloten we een vraaggesprek te houden, zonder elkaar te spreken. Een nieuw genre: de fantaview. Alles is dus bij elkaar gelogen.
Er zit een soort stilte in de PvdA. Er beweegt wel iets. Maar er komt weinig geluid uit. En als er geluid is, is het te fluisterend, onvast, onzeker. In de stem zit twijfel. Soms gaat er een vuist omhoog, maar niet met de passie die er vroeger was, toen er allerlei verworpenen op de aarde lagen en die wij dan lieten ontwaken.
Ik ken Willem Minderhout. Van de digitale melkweg. Van Twitter. En van ons beider heimelijke bewondering voor Robbie. Maar toch heb ik hem nooit gesproken. Ja. Één keer. In Leiden. Toen ik kwam, ging hij weg. Dat was tien jaar geleden. Nu hadden we het idee opgevat om elkaar voor De Leunstoel te interviewen zonder elkaar te spreken. Wat krijg je dan? Nou, dan krijg je dit. Een inkijkje in een leven, in een huis, in een persoon die ik niet ken. Een nieuw journalistiek genre is geboren, de fantaview. Morgen: zijn interview met mij, bij mij op kantoor.
Met Femke Halsema verdwijnt ook de flirt uit de politiek. Dat is jammer. Wat je overhoudt, is zware melancholie. Flirten houdt het leven licht. Flirten is seks zonder handen. Flirten houdt het lichte leven draaglijk.
Femke is weg. Ineens. Floeps. Weg. Ik stond die vrijdag de kersstal in te richten. Terwijl Jozef en Maria ruzie maakten (Dat kwam omdat mijn ene zoon vond dat Buzz Lightyear ook in de kerststal moest), keek ik even op mijn telefoon. Ik zag een tweet van Femke voorbijvliegen: ‘Om half 2 zal ik tijdens een persconferentie mijn vertrek bekendmaken. Jolande Sap volgt me op.’ Eerst verpulverde ik een engeltje en toen braken de tranen door.
Laurens is een hoofddekselfetisjist. Toen hij van Sinterklaas op zijn kinderdagverblijf een politiehelm had gekregen, was dat dus een schot in de roos. Dag en nacht draagt hij die helm. Toen ik hem een keer af wilde doen, toen hij sliep, werd hij prompt wakker en keek me aan zoals een politieman een boef aankijkt.
Als je zelf kinderen hebt, komt het nieuws over seksueel misbruik in een kinderdagverblijf hard binnen. Toen ik Eberhard van der Laan op de persconferentie zondagavond hoorde praten en vervolgens de foto van de dader zag, kwam het zuur langzaam boven. Ik mompelde. Ik stotterde. Ik maakte wurggebaren. Ik herhaalde de zinnen van de burgemeester met een vraagteken en vol ongeloof. ‘30 tot 50 kinderen?’
Al de hele dag heb ik een wit beeldscherm. Erboven staat: document 1. Meer komt er niet. Ik kijk naar buiten. Ik lunch. Ik doe een ommetje. Maar ook als ik terugkom, komt er niks. Ja, een regenbui. Die valt naar beneden, als stroop. Naast mijn laptop ligt een to do list. Ik heb onderaan gezet: niks doen. Dat is het enige vakje dat ik aangevinkt heb. Lousy day.