Op verzoek van Forza Haarlemmermeer schreef ik een column. 'Ik zuchtte. Eigenlijk zou ik Paul even willen omarmen. Even de haat uit
zijn ruggengraat wrijven. Ik heb zelf heel weinig met de islam, maar
vind wel dat iedereen zijn eigen gekte mag hebben.'
Vorige week zag ik de ruwe versie van de nieuwe film van Eddy Terstall. Deal. Maart 2012 draait hij in de bioscopen. Hij begint traag. Traag als sneeuw in de gracht. Maar daarna pakt hij je. Met twee vingers. Zacht. Maar hard. Deze film is vooral lekker vanwege de afdronk. Als je de bioscoop verlaat, proef je hem op je lippen. Je denkt na. En dat is precies wat je moet doen, nadenken.
Eddy Terstall is de meest Amsterdamse filmer. Ook deze film is Amsterdams, hoewel meer dan de helft helemaal niet in de stad plaatsvindt. En toch. Aan elk shot, elk woord, elk geluid zie, hoor en proef je de stad. Ik denk ook aan Huub van der Lubbe: deze stad is een hele mooie vrouw. Ook in zijn liederen komt de naam an sich helemaal niet voor. Maar toch klinkt hij door in iedere noot.
Zoals gebruikelijk heeft hij ook weer een actrice uit het café getrokken. Roberta Petzoldt stond in de stamkroeg van de Terstall in de Jordaan. Ze had amper ervaring. Maar jezus, wat speelt ze mooi. Teun Kuilboer speelt haar tegenspeler en dat doet-ie fantastisch. Maar toch denk je lang na over haar spel. Ze is naturel. Ze is mooi. En opeens wist ik het: zij is Amsterdam. En zij is de stad, die een hele mooie vrouw is.
Dat tweede klinkt wat klef. Maar toch voel ik de behoefte je lief te noemen. Een vader. Een docent. Of een hopman. Niet zozeer voor mij. Maar wel voor anderen. Je leerlingen. Of de mensen van de Jonge Socialisten. Ik heb het idee dat een hand op hun schouders er echt toe doet.
Ik wilde mijn brief niet zo heel lang maken. Vooral omdat we het over een groot aantal zaken eens zijn. Allebei vinden we dat religie geen rol moet spelen in de PvdA. Zelfs met de rituele slacht en de weigerambtenaar hebben we allebei niks.
Edoch. Mooi woord.
Edoch. Zie je de vinger omhoog gaan?
Edoch.
donderdag 18 december 2011 stond mijn opiniestuk over vrijheid van meningsuiting, de vrijdenkersruimte, Mark Rutte en de zogenaamde pedo-imam in De Volkskrant.
Hij is weer weg. Met zijn paard. Z’n slaven. En met Dieuwertje Blok. Mijn huiskamer is weer een grote berg plastic. Dankzij China was het redelijk betaalbaar, die kapitalistische hoogmis.
Op de bank liggen mijn twee mannetjes, van vier en zes, te slapen. Uitgeteld. De kleinste heeft de mijter nog op. De oudste heeft sporen van een chocoladeletter rond zijn lippen.
Rare man. Maar hij is het land nog niet uit of de Kerstman probeert voet aan wal te zetten. Met een arrenslee met rendieren. Merkwaardig, hoe we de raarste figuren verzinnen en dat vervolgens traditie noemen. Als het eenmaal traditie is, kom je er nooit meer af.
Ik moet zeggen dat ik er het de laatste jaren weer van geniet. Dat heeft vooral met mijn mannetjes te maken, die al weken stuiterden van opwinding. Ze hebben wel tien verlanglijsten gemaakt. Ze hebben gezongen, als koorknaapjes. En ze hebben zich gedragen als keurig opgevoede jongens. De beloning was dan ook navenant. Lego. Playmobil. Diverse monsters, draken en dino’s.
Die zijn voor de rest van het jaar tevreden. Of niet? Nee dus. Mijn oudste vroeg net: ‘Wanneer krijgen we weer cadeaus?’ Met Sint-juttemis, zei ik. Hij keek me raar aan. Na Sint Maarten. En Sint Nicolaas komt dus Sint juttemis. Hij pakte een maagdelijk wit A4’tje en noteerde zijn wensen.
Spekman. Hans.
Een wilde waterval van verwildering.
De natuur. En dan ruig. Dan zuigend.
Bomen, zo hoog als gras.
Gras zo groen als Christus.
Spekman, Hans
Een torso, getekend door de lianen van de tijd.
Een meisje van Zeeman, wenend aan zijn kruis.
Een Marokkaan, beledigd.
Een Cohen, verdedigd.
Spekman, Hans
Als spruitjes. Als spek. Als een kuiltje jus.
Nu. Hij heft zijn arm. Hij sluit zijn ogen,
Onbewogen.
Dan spreekt hij. Zijn woorden mogen de hoogte in.
Hij. Spekman. Hans.
En 100.000 liefdevolle leden.
Verdronken in de Herengracht.
Hij. Spekman. Hans. Hij zorgt dat de Here lacht.
In Felix Meritis stond ik naast Eberhard van der Laan te plassen. Mooi moment. Allebei moesten we een toespraak houden. Hij beneden, in de grote zaal. Ik boven, in de kleine zaal.
Een mooi moment. Zeiken met de burgemeester. Met de knieën een klein beetje gebogen, het hoofd naar beneden gericht, geconcentreerd. Vrouwen missen dat. Die hebben dat misschien bij de spiegel. Wij hebben dat bij het urinoir. Zwijgzame broederschap.
Ik ben een fan van Eberhard, een man die geen achternaam nodig heeft. Hij is duidelijk. Recht door zee. Open. Eerlijk. Het enige waar ik me over verbaas, is dat dat tentenbezettingsleger nog op het Beursplein staat. Ik zal de laatste zijn die het recht op het uiten van je mening wil dwarsbomen, maar dat tentenkamp staat er al twee maanden. Het punt is wel gemaakt, lijkt me.
In steeds meer steden zijn ze het zat. De tentenkampen zijn verworden tot een samenraapsel van zwervers en roeptoeters. De omgeving begint te morren, omdat de klandizie er last van heeft. Maar er staan ook caravans en busjes. Mogen die daar zomaar zo lang parkeren?
Ik vond het niet netjes om dit bij het gezamenlijk plassen aan de burgemeester mee te geven. Maar aangezien hij in goed contact staat met deze krant, doe ik het op deze manier: Burgemeester, het is wel genoeg met dat ge-occupeer!
De PvdA moet streven naar een coalitie die zich inzet voor de moderniteit. Daar hoort bij dat ze wél opkomt voor de hardwerkende Nederlander. Dinsdag 29 november in de Volkskrant
Ik had dit eigenlijk piemeltje naakt willen uitspreken. Blote woorden uit een blote mond. Naakt is namelijk het nieuwe demonstreren. In China geven de vrienden van dissident Ai Wei Wei zich bloot om hem te ondersteunen. En in Egypte krijgt een naakte blogger veel aandacht. Naakt is het nieuwe spandoek. De nieuwe barricade. Althans, in de rest van de wereld. Want gelukkig zijn de tijden dat Phil Bloom - de eerste naakte vrouw op de vaderlandse televisie- stof deed opwaaien, voorbij.
Maar ik durf niet.
Naakt is naakt.
En het is koud.
Ik schrijf deze column altijd op zondag. Hij zou over Cruijff moeten gaan. En Van Gaal. Maar jezus. Elke keer als je denkt, het kan niet gekker bij Ajax, dan kan het toch altijd weer gekker. Vandaag werd bekend dat Cruijff tegen Edgar Davids gezegd zou hebben dat hij alleen maar in de Raad van Commissarissen zit omdat ie ‘zwart’ is.
Of dat waar is, is de vraag. Eigenlijk is niets wat het lijkt. Als je een boek zou schrijven over een voetbalclub met deze verhaallijn, zouden ze je verhaal afdoen als: dat kan gewoon niet. De werkelijkheid blijkt echter elke keer weerbarstiger.
Alles wat ik nu schrijf, kan woensdag –als De Echo bij u op de mat ligt- weer anders zijn. Misschien zijn er dan wel moorden gepleegd. Ik kijk nergens meer van op. Of dat Louis van Gaal en Cruijff al jaren een heimelijke relatie hebben. Of dat Danny Cruijff zwanger is van Sjaak Swart. Alles is mogelijk bij Ajax tegenwoordig.
Ergens hoorde ik dat Eberhard van der Laan gaat bemiddelen. Maar dat klonk zo logisch, dat ik het meteen als een gerucht afdeed. Voordat de burgemeester minister werd, was dat zijn core business: bemiddelen. Met die hese stem. Die handen op schouders. Dat lieflijke lachen. Die dwingende ogen. Maar nogmaals: het klinkt te logisch. Dus dat zal wel niet waar zijn.
Dit voelt een beetje raar. Ik ben emotioneel. Ik voel het in de onderbuik. Jullie willen namelijk voorzitter van mijn PvdA. Jullie willen mij leiden. Jullie willen boven het graf van Lazerus staan om hem uit de dood te laten herrijzen.
Jezus Christus.
Van de Partij van de Arbeid.
Dat willen jullie worden.
Vorig jaar mocht ik Dieuwertje Blok interviewen. Voor mij al een eer. Maar voor mijn kinderen was ik daardoor in één klap een held. Dieuwertje praat namelijk dagelijks met Sinterklaas, de belangrijkste man in hun leven. Sterker nog: ik kreeg vandaag te horen: ‘Pap, jij bepaalt niet of ik mijn schoen mag zetten. Dat bepaalt Dieuwertje Blok.’ Hij legde een dwingende hand op mijn schouder.
Een tijdje zag ik Dieuwertje weer, bij de boekpresentatie van Karina Schaapman. Omdat ik vooraan stond met mijn kinderen, kregen zij een hand over hun hoofd. Van Dieuwertje. Allebei keken ze haar met open mond aan, alsof ze zojuist de liefde van hun leven zagen.
Zaterdag kwam Sinterklaas ook in Amsterdam aan. Zonder Dieuwertje. Maar wel met honderden Pieten. En dat was voor sommige mensen reden om te demonstreren. Ze droegen T-shirts met: ‘Zwarte Piet is racisme’. Hoewel het een tamelijk idiote tekst is, mag dat. Die vrijheid heb je. Daar dacht de politie echter anders over. Die arresteerde de demonstranten met harde hand. Wat er precies gebeurd is, weet ik niet. Verstoorden ze echt de optocht of was het –zoals ze zelf verklaren- een vreedzaam protest?
Zojuist hoorde ik mezelf zingen: ‘Hij is dan wel zwart als roet, hij meent het toch goed.’ Ik zal binnenkort Dieuwertje eens bellen om te vragen hoe ik die zin moet duiden.
Noem mij, bevestig mijn bestaan,
Laat mijn naam zijn als een keten.
Noem mij, noem mij, spreek mij aan,
o, noem mij bij mijn diepste naam.
Voor wie ik liefheb, wil ik heten.
De dichteres van bovenstaande regels, Neeltje Maria Min, is weer terug. Haar gedichten zijn nu op muziek gezet. Gisteren kreeg ik bij de Wereld Draait Door tranen in mijn ogen toen Blaudzun haar woorden zong.
Ooit zat ik in een badkuip in Venetië toen een PvdA’er me deze dichtregels voorlas. Zeep vlokte langs de tegels, de woorden wurmden zich door het lauwe water. Ik heb haar voorgesteld te trouwen, maar ze weigerde. Maar dat terzijde.
Toen dacht ik aan de PvdA. Dat is een overstap. Ik weet het. Edoch. Ook dit gedicht gaat over de PvdA. Over de menselijke maat. Dit gaat ook over individualisme –wat ten onrechte een vies woord is geworden. Laat de groepsdenkers ons maar in hokjes indelen, wij willen vrij zijn. Wij willen een naam hebben. Wij willen Zijn.
Ik denk ook aan het Zeeman-meisje van Hans Spekma. Haar moeder heeft een uitkering, die ze kwijt raakt. De pathetiek is overweldigend. Je ziet het meisje wezenloos de onderbroeken in de manden goedleggen. Ze luistert naar een mechanische stem die vertelt dat de pantoffels in de aanbieding zijn.
Hoewel ik weet wat Hans bedoelt, wil ik ook dat hij mij, de gewone man, een naam geeft. Alle kandidaat-voorzitters van de PvdA noemen de namen van de verschoppelingen, van de verworpenen der aarde. Ze vergeten echter de namen van de gewone man. Hier is de electorale uitdaging: de PvdA moet zich richten op de middengroepen. Dat betekent niet dat je de onderkant laat vallen. Nee. Maar als je je alleen maar richt op de armen, de ama’s en de amateurs, denkt de rest van het electoraat dat hij er kennelijk niet toe doet.
Ook voor de middengroepen geldt:
Mijn moeder is mijn naam vergeten.
Mijn kind weet nog niet hoe ik heet.
Hoe moet ik mij geborgen weten?
Het was in één beeld te vangen: De Marokkaan, de Occupiër en de Ajacied. De Ajacieden waren op weg naar een wedstrijd en keken wat verbaasd naar het tentenkamp op het Beursplein. ‘Joden, Joden’, riepen ze met twee armen in de lucht. De (scooter-pizza)Marokkaan keek ernaar, terwijl hij net zijn brommer gestart had. Hij schudde zijn hoofd. Ook de Occupiër, die de pizza in zijn hand had, keek meewarig naar de schreeuwende pubers.
Met protesteren heeft Occupy weinig meer te maken. Het is kamperen, midden in de stad. Het is inmiddels ook verplaatst naar het museumplein, maar dat wil nog niet zo vlotten. Het treurigste was toen er in Brussel een extreem belangrijk akkoord was gesloten, waar geen Occupiër weet van had. Terwijl het daar toch om gaat: geld, Europa, kapitalisme. Als er ergens met miljarden wordt gesmeten, is het Brussel wel.
Terug naar de pizza. Die werd uit de Occupiërs handen geslagen door een Ajacied, waarop een tweede riep: wij zijn ook Grieken. Waarop een derde weer inzette op het vertrouwde nummertje: olé, olé, olé. De scooter-pizza-Marokkaan wilde ingrijpen, maar reed toch weg, de Ajacieden net ontwijkend.
Behalve dat dit beeld helemaal Amsterdams was, was het meer dan dat: Het gaf aan dat we allemaal aan elkaar gekoppeld zijn, of we nou willen of niet.
Gisteren was ik op Pownews (bij 10.30), als kandidaat-voorzitter van de PvdA. ’s Ochtends belden ze: we maken een campagnespotje. Voor dat ik het wist, stonden ze in mijn keuken te filmen. Ik wilde me nog even scheren. Dat kon. Dat wilden ze dan ook wel filmen.
Vervolgens ging ik zitten. Nieuw overhemd. Fris geschoren. Klaar voor een integere presentatie. Eerst een uur over mijn plannen om de Euro te redden. Daarna mijn milieureddingsplan. En als laatste de hypotheekrenteaftrek. Prachtige plannen. Voor een betere wereld.
Of ik ook nog iets met de PvdA wilde. Toen flapte ik eruit dat het leuker moest. Maar dat er vooral ‘meer geneukt moest worden’.
(…)
Toen ik het item ’s avonds terugzag, hadden ze er drie uur intelligente monologen uitgeknipt en feitelijk alleen mijn ‘neukende’ citaat overgelaten. Het was voorbij voor je er erg was. Hup volgend item.
Eerst belde mijn moeder. Ze noemde alleen mijn naam. En zuchtte. Heel diep. En heel hard. Daarna: ‘waarom nou weer met dat geneuk enzo?’
(…)
De volgende ochtend bracht ik mijn kinderen naar school. In een gang vol moeders, kinderen met rugzakken, leraressen, zei de moeder van een vriendje van mijn zoon: ‘Hoi.’
Ik glimlachte.
‘Ik zag je nog op televisie.’
Ze keek betekenisvol. Pas toen besefte ik dat meer mensen hadden gezien dat er ‘meer geneukt moest worden’.
Toen ik die middag mijn zoon weer kwam ophalen, stond er een vrouw naast me op Crocs. Ze had een joggingbroek aan. En een fleecetrui, lekker hoog dichtgeritst tegen de kou. Ze keek me eerst een paar keer aan, maar zei niks. Tot ze me na een minuut bij de elleboog pakte. ‘Zo’, zei ze. ‘Jij vindt dat er meer geneukt moet worden?’
(…)
Ik kon alleen schaapachtig lachen.
Gelukkig klonk de bel, klapte de schooldeur open en gilden tientallen kinderen het schoolplein op. De fleecetruienvrouw klopte nog op mijn schouder en vertelde het verhaal van die ‘neukende’ vader aan een vriendin die naast haar stond. Die hoorde ik alleen nog: ‘oh, ja, joh’, uitroepen.
Aanvankelijk was ik enthousiast over de kandidatuur van Hans Spekman. Toen hij echter maar twee magere punten op tafel legde, bedacht ik me. De man zei dat hij er drie weken over nagedacht heeft. En dan komt ie met de verhuizing van het politburo van de Herengracht en een aanwas van 50.000 leden.
Das mager. Bij deze dus: laat mij uw voorzittert zijn.
(..)
Eerst maar eens die puntjes van Spekman overtreffen.
Punt 1: dat hele politburo doeken we op. Ik zal als voorzitter opereren vanuit mijn eigen keuken. Ik ben in het bezit van een vrij grote keukentafel met vier zetels en een kinderstoel, allemaal van Ikea.
(Misschien is het wel aardig om te benoemen wat er bij mij allemaal op tafel ligt: een fruitmand. Een overhemd (nog in de verpakking). Lijm. Kleurpotloden. Een apparaatje voor internetbankieren. De Donald Duck. De Koran. En wat glazen, allemaal halfvol.)
Punt 2: die 100.000 leden waar Spekman op mikt. Hebben jullie Hans verteld dat het gemiddelde lid tegen de zestig loopt? Ik denk het niet. We hebben nu 55.000 leden. Als we die vast kunnen houden, is dat al mooi. Maar laat ik duidelijk zijn: Zeker 25.000 leden zijn het volstrekt met mij oneens. Die wil ik derhalve royeren.
Dan de campagneleiding. Eigenlijk wil ik alles over board donderen wat we nu hebben. Niks meer eerlijk, samen, socialer of wat ook. Dat gelooft toch niemand? De wereld is niet eerlijk. Je komt alleen op aarde en gaat alleen dood, daar is weinig sociaals aan. In die zin is het sociaal om iedereen een poëziebundel van Ramsey Nasr te geven, dat geeft pas troost. Nee. Je moet de menschen in het land wat anders geven dan buttons, petjes en rozen. Wat wel werkt: aandelen. Aandelen van onze kudtpartij. Daar kun je in handelen. Niet met geld, maar met ideeën. De energiekste ideeën leveren de meeste aandelen op. Die aandelen kun je weer inruilen voor zetels. Hatseflats: de beste ideeën op de mooiste zetels.
Belangrijk punt is ook de verjonging. Bij elk congres valt me op dat er op de tribune alleen maar oude mensen zitten, die met de multomap op schoot allerlei onzinnige amendementen indienen, terwijl de jongeren in de catacomben met elkaar de liefde bedrijven. Dat moet eerlijker. Sowieso moet je die leden niet al te veel laten zeggen. Democratie is voor de dommen. Als Plato het voor het zeggen had in Griekenland zou Europa er heel anders voorstaan. Denk daar maar even over na.
Dan die internationale vertakkingen van de PvdA. Dan bedoel ik al die fokking stichtingen die het beste met de Derde Wereld voor hebben. De Kenneth Vermeerstichting. De Alfred Mozerstichting. Anne Vondeling. Er is zelfs een betaalde internationaal secretaris. Waarom moeten we de sociaaldemocratie in het buitenland steunen, terwijl we hier inmiddels een marginale rol spelen?
Laatste punt dat me te binnen schiet, is de sfeer. Zet drie PvdA’ers bij elkaar en je hebt een milieuvergunning nodig. Ach, u kent die uitspraak wel. Wij zijn dodelijk serieus. Ik denk wel eens aan Pim Fortuyn. Het plezier dat hij had, de seks, de charme, de warmte. Het zijn de mensen. Maar ook de bijeenkomsten. Bij de VVD zegt de leider drie zinnen en dan gaan ze met z’n allen aan het bier en de bitterballen. Bij ons moet je je echter door 48 colleges worstelen alvorens je in een helverlicht, gesubsidieerd jeugdhonk een verschraald biertje van een Wajonger krijgt.
Ook bij Hans Spekman zie ik die sfeer niet terugkomen. Ik heb nu al drie keer het riedeltje over die caissière van de Zeeman gehoord, wier moeder geen uitkering meer krijgt. Das heel zielig. Maar daar win je geen nieuwe kiezers mee. De Zeeman-kiezer zit bij de SP of de PVV. En die blijft daar. Afficheer je liever met Apple. Of met Heineken. Mooie merken. Wil je een Lada zijn of een Mercedez? Dat is de vraag. Zegt u het maar!
Alla, dat was het wel zo’n beetje. Mijn kinderen zijn nog bezig met de handtekeningen ophalen. Ik verwacht ze elk moment hier en dan zal ik ze u toe sturen.
Er is iets gaande. Er borrelt iets. Je voelt het kriebelen in de wandelgangen van de PvdA burelen, nu Hans Spekman zich kandidaat stelt voor het voorzitterschap. Er lopen mensen met tranen in de ogen door de gangpaden van de Tweede Kamer. Assistenten slaan elkaar op de schouders. Secretaresses kleuren hun nagels rood. Inspiratie door transpiratie. ‘Spekman gaat ons opstuwen naar de vijftig zetels’, hoorde ik iemand met een betraand gezicht roepen.
Vorige week heb ik vele uren met Spekman doorgebracht. Voor de televisie. Het debat over Mauro deed hij met gevoel. De mooiste momenten zaten hem in de stilte, in het zwijgen. Dan deed hij zijn ogen dicht om niet te gaan schreeuwen. Niet te gaan slaan op tafel. Hij moest zich duidelijk beheersen om Gerd Leers niet ‘op z’n neus’ te timmeren. Edoch. Hoe emotioneel hij ook was tijdens het debat, hij ging niet slijmerig om de nek van Mauro hangen, zoals ik Dibi (GroenLinks)en Gesthuizen (SP) zag doen, alsof het hun persoonlijke vriend was.
De week daarvoor mocht ik Rinda den Besten, wethouder in Utrecht, interviewen. Ook zij deed haar ogen dicht als ze over haar Hans sprak. Hij had haar destijds de politiek in gepraat. ‘Die drive. Die moed. Dat authentieke.’ Bij dat laatste woord slikte ze even. Een Mona Lisa-achtige glimlach verscheen rond haar lippen. Ze liet haar handpalm zien, om aan te geven: vraag maar niet verder.
Kapitein met trui
De vergelijking met Jan Schaefer is snel gemaakt. Weer dat afschuwelijke woord: authentiek. Zoals Spekman truien draagt, zo droeg Schaefer spijkerpakken. En toch. Er is een groot verschil. Hoewel Jan Schaefer het imago had een mensenmens te zijn, is Hans Spekman het echt.Ik ben destijds eens gaan rondvragen wat voor man wie die Schaefer nu eigenlijk was. Walter Etty en Eberhard van der Laan vertelden los van elkaar dat het imago van Schaefer volstrekt niet klopte. ‘Hij bleef liever thuis als er onrust in de stad was’, vertelde Etty.
Imago en werkelijkheid. Ze kunnen niet altijd kloppen. Hans Spekman ken ik niet persoonlijk. Maar iedereen die hem wel van dichtbij kent, weet dat je met Spekman krijgt wat je ziet. Authenticiteit en gedrevenheid.
Moraal van het verhaal. Spekman is eigenlijk een verbeterde versie van Jan Schaefer. Hij is meer dan een trui. Meer dan ingehouden woede. Meer dan een stratenmaker. In gelul kun je niet wonen. In een trui ook niet. Edoch. Als je een schip bestuurt heb je meer aan een trui, een vorsende blik en een arm met een ankertje erop.
Deze column verscheen eerder op DeJaap.nl
Vlagtwedde, 25 december 2011, kerstochtend. We zien een met dauw bedekt weiland. De paarden van Henk Bleker grazen. We zien ze in de verte. Henk staat bij het prikkeldraad. Hij heeft een hamertje in zijn hand waar hij naar kijkt. “Ik ben vandaag de nieuwe leider van het CDA geworden”, zegt hij geëmotioneerd. Onmogelijk, zullen veel mensen zeggen. Henk is namelijk een brekebeen. Maar dat maakt tegenwoordig weinig uit. Het gaat om gevoel. En als iemand dat ‘gevoel’ van mens-zijn over kan brengen, dan is het Henk wel. Vanwege zijn gezicht. Vanwege die paarden. Het gewone. Ja. Henk is een hele gewone Hollandse jongen uit Vlagtwedde.
Volgende week zit hij weer bij Pauw en Witteman om uit te leggen wat hij bedoelde met dat briefje aan Mauro, waarin hij schreef dat hij graag met hem naar Twente-PSV wilde. Dan buigt hij zijn hoofd en vertelt over zijn innerlijk. Hoe hij écht worstelt, dat hij écht huilt, als hij ’s avonds de paarden hun haver brengt. Dat zijn hart bloedt, vanwege die arme Mauro. Alla, Henk zal Henk zijn. En we zullen hem geloven.
De tijd van de inhoud is voorbij. Het gaat er nu om hoe je overkomt. In die zin denk ik wel eens aan Wim Kok. Die zou nu geen deuk in een pakje boter slaan. Niet alleen omdat hij commissaris bij ING werd en megabonussen goedkeurde. Nee. Kok was en is een technocraat. Geen mens van vlees en bloed.
Dat is Henk wel. Hij is net als wij: een ijdel mens. De Nederlanders zullen hem zijn ijdelheid dus gunnen. Als Mauro straks (iets met paarden) studeert en hij uiteindelijk mag blijven, zal Henk op het Jeugdjournaal zeggen dat hij dat altijd al vond. Sterker nog: dan zal hij zeggen, dat hij, achter de schermen… Hij maakt zijn zin niet af. Hij kijkt ons alleen maar recht aan. Zijn ogen worden vochtig.
Dat moet je kunnen. Dat menselijke. En Henk is hors catégorie. Ik voorspel dan ook dat Henk zijn CDA weer op zal stuwen in de vaart der volkeren. Ik zie nu al prachtige spotjes van Hollandse velden, badend in de ochtenddauw. Op de achtergrond zien we een terreinknecht hooi op zijn vork nemen. Als de camera inzoomt, zien we Mauro. Hij zet zijn hooivork in de Groningse klei en zegt: “Stemt u ook op de mensch? Stem dan CDA!”
Ik schrijf weer. Een boek. Het onderwerp sudderde al een tijdje. Soms was het een boek dat ik las, dat er ineens een lichtje ging branden. Soms was het een boom, een tak of zelfs maar een blaadje.
Het boek van Remco Campert, Het Leven is Vurrukkulluk, gaf me deze week die energie. Alleen het woord al: vurrukkulluk. Maar het is ook het Vondelpark, dat een centrale plaats inneemt in het boek. Sinds lange tijd liep ik er weer. De laatste keer dat ik er was, was het een broeierige lentedag. Het was propvol. De sfeer was daarom niet leuk. Maar goed, net als met Koninginnedag moet je helemaal niet in de stad zijn als het mooi weer is. Je moet het Van Goghmuseum ook niet op zaterdag bezoeken.
Nu was ik op maandagmorgen in het Vondelpark. Manmanman. De vogels floten. Dauw op de velden. En paden met bladeren. Ik was zielsgelukkig. Toen gebeurde er iets. Een meisje kwam aanfietsen op een mountainbike en kon mij –midden op de weg- niet meer ontwijken. Omdat ze dat toch probeerde, vielen we allebei. Ze droeg een zwarte hoofddoek. Een spijkerjasje. En kniehoge laarzen. Maar het waren vooral die zwarte ogen. We lachten. We klopten de bladeren van onze kleren. Toen ging zij links af en ik rechts. Drie stappen verder had ik de titel van mijn boek: de moslima.
Deze column verscheen eerder in De Echo