Hij had een huis gebouwd voor de poes. Paar kussen van de bank. Daar bovenop het nestje. Het was een rots van luxe. Naast zijn mandje stond een bakje eten. Maar Knorretje wilde er niet in liggen. En dat snapte Lucas (4) weer niet. Zijn gezicht was één grote verbazing. ‘Maar kijk dan, Pap.’
Heb ik mijn excuses al aangeboden? Dat vroeg iemand mij per mail. Anderhalf miljoen mensen hebben op ‘een racist’ gestemd. En daarom moeten wij – autochtonen - diep buigen. Op Facebook hebben al bijna 100.000 mensen dat gedaan. Anderen doen een hoofddoekje om. Een plastic armbandje. Of schrijven stukken in de krant. De teneur: wie zich niet uitspreekt tegen ‘de fascist’ is er zelf één.
Laatst zag ik Duco Stadig lopen. Duco wie? Duco Stadig. Wethouder van 1994 tot 2006. Een pijproker die altijd zijn pijp in zijn mond liet bungelen, ook als hij praatte. En ook nu rookte hij een pijp. Ik keek ernaar en er vloog een leven voorbij. Een hele andere tijd. Ik ging in een poep en een scheet terug naar 1994. Toen de multiculturele samenleving nog ‘gezellig’ was. Toen Wilders nog medewerker bij de VVD was. Toen IJburg nog water was.
Het zijn de uren ervoor. We zien elkaar niet. We hebben haast. We fietsen. We rennen. We zien elkaar niet. Merkwaardig. Die twee uren voor de wedstrijd. Alsof er iets stil gezet wordt. Er is geen ontkomen aan. De wereld wordt twee keer driekwartier stilgezet.
Jan Peter. Verdikkie. Ik was aan hem gehecht. Hij hoorde gewoon bij ons. En wij bij hem. Wij praten ook iets te snel. Wij fietsen ook het liefst tegen de wind. Wij sms’en allemaal graag met Jan Smit. Een volk krijgt de leider die ze verdient.
‘Jan Wolkers heeft kinderen. En daar schrijft hij over.’ Het was diepe teleurstelling. Destijds. We waren eenentwintig. We waren de jonge honden die de literatuur gingen veroveren. We wilden neuken. We wilden kunst maken. En daarna weer neuken. Zo ging dat toen. En toen kwam Jan Wolkers met een boek dat hij samen met zijn twee zonen had geschreven – Wat wij zien en horen. Het voelde als verraad. Burgerlijke lapzwans met z’n kevertjes. Was dat de man die het woord ‘neuken’ zo mooi kon uitspreken?
Als je zit te wachten op een mooie zin, dan komt-ie niet. Ik ben nu al een tijdje op zoek. Soms ligt-ie in de boekenkast, maar dan blijkt hij niet van mij te zijn. Soms zit hij in de trein, maar voordat je hem kan aanraken, stapt-ie uit. Zo gaat dat met zinnen. Ze komen en gaan. En wachten heeft geen zin.
Ik voel me een voetballer in een muurtje. De vrije trap nemer neemt een aanloop. Mijn handen knellen om mijn kruis. Mijn ogen sluiten zich. Mijn hart bonst. Rutte schiet keihard in de muur. Cohen draait over links. En Geert schiet midden in m’n kruis. Ik ben murw geramd. Ik wil niet meer. Allemaal roepen ze dat het van levensbelang is om op hen te stemmen: ‘wat voor land wil je?’ Ze trekken aan mijn revers en schudden me agressief heen en weer.
Woensdag 9. Het staat in de agenda met een uitroepteken. Verkiezingen. Ze eindigen met een zucht. Een diepe uitgeputte zucht die uit de tenen komt. We lijken er klaar mee te zijn. Politiek moet weer de vitrine in. Weg d’rmee. We willen de bierblikken openen en op een hoorn blazen alsof we op de Afrikaanse steppe staan. ‘Ut foeballle’ begint. Dus opdonderen, alsjeblieft.
Joran van der Sloot. Zijn luxe leventje lijkt nu echt voorbij. Ik denk aan Het Diner van Herman Koch, één van de mooiste boeken van de afgelopen twee jaar. Over misdaad dat in de genen zit. Over de liefde van ouders. Hetzelfde zie je bij de familie van der Sloot. Ze steunden hem altijd. Het kostte vader zijn leven, maar steunen bleef hij.
André en de homo is als Geert en de moslim. Je mag wel denken dat je homo bent, je mag het echter niet doen. Zo denkt Geert ook: je zou het kunnen zijn, moslim, maar je moet het niet praktiseren. Waar het in beide gevallen op neer komt: Ga je gang, als je maar niet gaat bukken.
Ik kom één keer maand bij Artis. Ik ben lid. En elke keer vraag ik me af of het niet zielig is, eigenlijk, die dieren in die hokken, in dit klimaat. Overal staan bordjes. Dat ze bijvoorbeeld leven op de Savanne. Nu lopen ze echter rondjes in hun met tralies afgezette hok. Nu krijgen ze om drie uur stipt te eten. Ze zijn hier, omdat wij dat willen.
Israël. Eretz Israël. Ik zucht. Je voelt de explosie. Je voelt. Ja. Ik heb ooit drie weken door het hart van Jeruzalem gebanjerd. Er is geen intensere stad dan Jeruzalem. Vooral die vierkante kilometer met de Klaagmuur, de heilige grafkerk en de Al Aqsamoskee. Je ruikt het bloed. Het zweet, maar vooral ook de tranen.
De paarse kaart. Pechtold legde hem op tafel. Eventjes. Maar dat is niet genoeg. Hij moet nu een full house neerleggen. In het zogenaamde ‘hatseflatsen’, zoals verkiezingscampagnes zijn verworden, moet je iets anders doen. Iets groters. Alexander kan dat nu doen! Maar dan moet hij wel doorknallen. In beeld blijven. Het gaat namelijk om de zwarte aas. Dat is de Obama-kaart, overal boven staan en dan samenbinden. Cement zijn voor het nieuwe paars. Vanaf draagt hij alleen maar paars stropdassen.
De ene wethouder vindt het ‘leuk om te doen’. De ander glundert vooral. Maar dan heb je de overtreffende trap van vreugde: Eric van der Burg. Zo’n schaterende lach. Zo’n groots stemgeluid. De VVD’er ontploft welhaast van blijdschap. Heerlijk. Als je iemand het wethouderschap gunt, is het Eric wel.
(Column uit De Echo van deze week)
Scene één: Een partijkantoor. Ergens in een land. Ergens in een jaar. We draaien de camera naar het podium. Daar waar de vader staat. Groot, sterk, evenwichtig. De bloemen in zijn handen. Hier staat de verlosser. De partijvoorzitter deed de handen voor haar ogen. Ze kon het niet geloven. Wat een Mozes. Wat een Rambo. Wat een Robbie. Met deze lijsttrekker breekt de tijd van de rozen weer aan. Dat was twee maanden geleden. Ze hadden er ontzettend veel zin, die verkiezingen.
Paars is een moeilijke kleur. Beetje troebel. Beetje allegaartje. Ook in de politiek. Paars staat voor neoliberalisme. Paars staat voor Pims Puinhopen. Toch wil ik een nieuwe poging wagen, een regering zonder CDA, zonder populisme (SP en PVV). Eigenlijk wil ik een seculier, vrijzinnige, realistische, sociaalliberale regering. PvdA, VVD, D66 en GroenLinks. Maar dan wel met Wouter, Mark, Boris en Femke. Ik vermoed dat Job en Alexander minder in het plaatje van het nieuwe paars passen.
‘Meelijwekkend.’ Dat zei Huub Stapel, sinds kort politiek analysator, na het ‘premiersdebat’, zondag over ‘de verlosser van de PvdA’. Het woord galmde. Het woord spinde door de ruimte. Ook bij ons thuis. Een dodelijk woord dat als een dolk in de rug moet voelen. Cohen haperde. Cohen stotterde. Cohen… (ik kon het niet laten om de naam van Wouter te lispelen – Die zal zich verbijten.) En toch. Cohen is Cohen. Dit kon je van tevoren verwachten. Toch? Dat is geen spreker. Wat ik het verrassende aan het eerste televisiedebat vond, was Janpeter Balkenende. Die knalde van het scherm af.
(column voor www.fispr.nl)
Cohen heeft geen verstand van de economie. Zegt men. ‘Wij - van de PvdA’ ontkenden niet. Het beeld kon makkelijk door anderen worden vergroot. Hebben ‘wij’ het verre van ons geworpen? Nee. ‘Wij’ maken het eigenlijk alleen maar groter. Cohen werd namelijk bijgespijkerd, zeiden de spindoctoren van de PvdA. Hij kreeg economen op bezoek. Dat was kennelijk nodig. En daarmee bevestigden ‘we’ eigenlijk het beeld van de onkundige Cohen die ons – arm volk - niet door deze crisis heen kan loodsen.
Ik heb niks met geld. Ik snap er ook niks van. Zeker niet als ik de miljarden zie die nu ‘vertrouwen’ moeten geven, omdat ‘de euro in gevaar’ is. Ik denk dan aan Zoete Lieve Gerretje, die het volgens mijn moeder altijd moest betalen. Ook in mijn eigen micro-economie ben ik een wurm met geld. Dat weet mijn vrouw - met wie ik vandaag zes jaar getrouwd ben - inmiddels ook.