Hij gaf me een hand. Maar meer ook niet. Ahmed Marcouch. Ik zat samen met hem, Fenna Ulichki (die een goede indruk achterliet), Fatima Elatik en Fouad Sidali in een debat dat ‘Wilders ontsluierd’ heette. Marcouch was niet scherp. Vond ik. Hij speelde - voor een zaal vol ‘Mocro’s’ weer zijn riedeltje af dat we moeten laten zien dat mensen mógen geloven. Dat we ze die ruimte geven. Dat ze erbij horen.
De ‘linkse onderzoeksmaffia’ maakte van Geert Wilders een ‘racist’ en een ‘rechts-extremist’. Pechtold zegt het al jaren. Zegt hij. Eberhard van der Laan vindt de ‘grote aanhang gevaarlijk voor de rechtsstaat’ en daarom zegt onze lieve premier dat de ‘politiek overmoedig wordt’ en al snel ‘grote ongenuanceerde woorden gebruikt’.
'De PvdA moet het beste in zichzelf boven halen. Nu de regen stroomt, moet je niet gaan schuilen. Nee. Dan doe je je hoofd omhoog en laat je de spetters op je wangen uiteen spatten. Zingend moet je het water tegemoet lachen. De poëzie moet ontwaken. Voel je niet de verworpene. Sta op. En ja. De eerste tekenen zijn gunstig.' Een column die vrijdag verscheen op www.pvda.nl.
Ineens zag ik haar lopen. Mijn moslima. Een flits. Een verstild beeld van een seconde. Met hoofddoek. Met boodschappen. Voor haar liep een man in een wat ruimzittend pak. Hij had iets weg van Ahmedinejad, met vlassig baardje en lodderige ogen.
Leegte. Omdat ik moet wachten op de sleutel van mijn nieuwe huis, zitten we tijdelijk in een huurhuis. Met halfbakken meubels. Zonder televisie. Zonder internet. Het enige dat er wel in zit, is een gigantisch bubbelbad.
Gedegen bestuurders. Scheepsladingen vol ervaring. En toch. Op een dag zijn ze het zat. Dan vallen ze aan. Dan pakken ze de tegenstander bij de lurven en willen ze hem wurgen. Deze week weer een burgemeester van een grote stad. Hij schoot compleet uit zijn slof, zoals katten doen die te lang in een hoekje zitten. Niet hij - de grote burgemeester - had verkeerd gehandeld. Nee. De populist is corrupt.
Soms wil ik homo zijn. Dat zijn momenten dat ik vrouwen niet begrijp. Dat ze op een hoger niveau zitten en mateloos ingewikkeld doen. Als een mier een olifant wordt, roep ik wel eens uit: ik word homo. Maar soms ook vanwege de extra aandacht. In Amsterdam zijn ze bijvoorbeeld gek op de homo. Homonota's, homomonument, homoparades, homomoslims en nu dus ook de homoSpelen.
Ik zat te wachten. Mijn moslima zou rond acht uur bij me zijn. De wijn stond klaar. Ik zat klaar. Maar er kwam een sms’je tussen: ‘even in de rotzooi’. Het tweede sms’je kwam een uur later. ‘Op pliesiburo’. De derde volgde weer een uur later. ‘Ik kom niet meer.’
Ze fietsten over het fietspad. Van links naar rechts. Zij in amazone achterop, de handen om zijn middel. Net als in de film. Turks Fruit. En dus dacht ik weer aan mijn moslima. Haar film. Onze film. De mooiste Nederlandse film ooit - alleen al vanwege de muziek. Wij hebben hem vier keer samen gezien. Daarna heb ik hem nog één keer alleen gezien.
‘De islam zal de wereld domineren'. Verdikkie. ‘De sharia komt naar Nederland'. Die boodschap gaven de verzamelde baarden in London aan Geert Wilders - die nu wel door de douane kwam en zijn film vertoonde. Dat was tegen het zere been van de haatbaarden. Die vinden dat Geert die vrijheid niet heeft. Daarom riepen ze: ‘Freedom, go to hell'. Dat zet je toch aan het denken.
Druk-druk-druk. God, ik heb het de afgelopen dagen ook veel gezegd. Maar dan zie je Wouter Bos. En dan weet je weer, wat doe ik nou eigenlijk? Wouter verdedigt niet alleen de AOW ‘te vuur en te zwaard', hij houdt ook Mariëtte overeind. En zijn eigen partij. En Dirk. En Gerrit. En Noud. Zonder Wouter zou hier alles omvallen.
(Nep)Pandarijders begroeten elkaar. Mooi is dat. Net als motorrijders en vrachtwagenchauffeurs herkennen ‘we' elkaar. Ze lachen ook. Ze zijn eigenlijk vreselijk gelukkig. Mijn zoon (bijna 4) wil ook altijd in ‘de nieuwe auto'. Niet bij z'n moeder in die grote middenklasser achterin. Maar in een ‘echte auto', naast pappa.
Lijden. Voor een liefhebber van het betere lijden, zijn het mooie tijden. Dirk die zijn pak rechttrekt. In Wognum. Prachtige, bijna surrealistische kunst. Mariëtte Hamer en haar dertien zetels. Marco Borsato. (‘Als de aarde niet meer rond is’). Agnes Jongerius en haar ongelukkige vrijpartij. Heerlijk, al die vermoeide ogen. Die tragische blik. Dat gebogen hoofd.
Studio Sport. Dat was ons uur. Dan zaten de moslima en ik in badjassen op de bank. Voetbal en Mart Smeets. Toen nog. Elke zondagavond om zeven uur, zolang de relatie duurde, zongen we het deuntje mee. ‘Kom d’r maar in, Mart.’ Hij was onze leider. Ik aan de koffie. Zij aan de thee.
Zo'n kamertje. Daar zitten ze. Ongemakkelijk. Een beetje te lachen uit verlegenheid. Agnes en Geert. Nog nooit hadden ze iets met elkaar gehad. Zij zette haar fiets altijd in het fietsenhok. Hij zijn brommer - met knalpot - voor de school, zodat iedereen het kon zien. Ze zouden elkaar ook nooit zien als ze niet een gezamenlijk belang hadden. Nu keken ze elkaar in de ogen. Samen gingen ze oud worden.
Daar zat ze. De gebroken vrouw met het moeilijke kapsel. Naar buiten toe: ik sta nog recht overeind. Maar in de badkuip in de armen van haar man is ze een dood vogeltje. Ze praten. Zachtjes over de crisis in de club. De naam wordt niet genoemd. Maar hij hangt boven de vlokken sop. De naam van de man met de haren, die hele tempels in laat storten, als hij het wil.
De moslima stond op. Ergens op een ochtend die liefdevol was. Ik zag haar billen wandelen. Lieflijk. Toen ze terugkwam, had ze een kop thee in haar handen. Ze hield hem met twee handen vast, zoals vrouwen dat doen. Niet om warm te worden. Meer om houvast te hebben.
‘Ik ga tot 1 januari niet nadenken.' Die hoorde ik vandaag. De man had van alles om over na te denken. Niet piekeren. Even helemaal zen. Sindsdien zit ik juist over die zin te piekeren. Hij voelt goed. Hij past me als een lekkere jas. Even niks.
Ik kon vroeger niet voetballen. Het heeft mijn leven bepaald. De frustratie. De vernedering. Het bukken als de bal langskwam. Als ik eraan denk, voel ik het weer. Dan zie ik mezelf weer zitten, op de bank voor het grote raam. Buiten lachten ze. Mijn vriendjes konden wel voetballen. Ze klopten wel eens op ons raam als ze een keeper nodig hadden. Meer niet.
Binden. Job Cohen heeft zijn toespraken gebundeld in een boek. In een overdaad aan ‘samenzijn', ‘bij mekaar houden' en ‘met z'n allen' bindt hij alle Amsterdammers aan elkaar. Ik vind hem lief daarin. Het is natuurlijk zijn taak als vader der burgers. Maar soms aait hij teveel. Is hij teveel de susser, de temperaar, de omhelzer.