Alexandra heette ze. En ze kwam uit Stuttgart. Het was 1984, aan het Comomeer in Italië. Ik was 13, zij iets ouder. We zaten op een boomstam en keken naar de zonsondergang. De anderen aten ijs – op het strandje vlakbij. Ik zat hier vast aan Alexandra. Ik was haar ijsje, want zonder dat ik het aan zag komen, zoende ze me op mijn mond. Ze zag mijn verbazing en glimlachte.
Het was niet mijn eerste zoen. Ze was mijn vierde. Dat zei ik later door de telefoon tegen mijn beste vriend. Hij had nog nooit iemand gezoend. Ja. Hij had met mij gezoend, omdat hij wilde weten hoe dat ging, dat zoenen, met dat hoofd een beetje scheef, met die lippen, met die tong, hard of zacht.
Alexandra zoende, zoals Duitsers zoenen. Merkwaardig kwijlerig. Ik kan het niet goed beschrijven. Die kus herinner ik me, maar wat me nog het meeste bijstaat, is wat ik zei toen we uit gekust waren en ze mij dromerig aankeek. ‘Was hat ihre Grossvater im krieg getan?’
Ik besefte pas later dat dit wel een hele rare afsluiting van een romantisch moment was. Maar dat had alles met Jan Terlouw te maken. Met Oorlogswinter. Het mooiste boek dat ik tot dan toe gelezen had. Ik had het die dag – op het strand uitgelezen. Er bonkte heroïek in mijn borst. Ik droomde stiekem dat het oorlog zou zijn en dan zou ik de held zijn.
Alexandra zweeg. De zon verzoop in het Comomeer en ik hoorde achter mij de stemmen van vriendjes. ‘Entschuldigung’ stamelde ik. ‘Es ist Jan Terlouw.’ Toen ik die naam uitsprak, besefte ik dat Alexandra natuurlijk nooit van Jan Terlouw had gehoord. In plaats van uitleggen, rende ik weg.
Thuis in Nederland lag er een brief op de deurmat. Ze had het nagevraagd. Haar opa was gelegerd in Nederland. In 1944 is hij omgekomen. Ze wist niet precies hoe en waarom. Aan het einde van de brief stond: now you know.
Now I know.
Deze column verscheen eerder op www.deleunstoel.nl
Een jaar of twintig geleden zag ik Huub van der Lubbe fietsen met een kinderzitje. Ik was flabbergasted. Een standbeeld wankelde. Ik bedoel: rock ’n roll baart geen kinderen. Dat Huub een vrouw had, vond ik al erg genoeg. Hij moest verdomme eenzaam zijn, omdat er ‘niemand in de stad’ is. Huub was blues. Huub was poëzie. Een kinderzitje, dat is voor het gepeupelte.
Ik rij nu zelf regelmatig met een bakfiets vol kinderen door de stad. De kneuterigheid druipt er van af. Soms zie ik aan de kant van de weg iemand met afschuw naar me kijken. Burgermans, dat is wat-ie denkt.
Maar er zijn ook mensen die het buitengewoon goed staat. Ik noem een Lodewijk Asscher. Een vadertje. Een mannetje. Die heeft geen bakfiets, maar wel een soort verlengde vaderschapsfiets met een zitje voor en achter. Daar rijdt hij blijmoedig op. Moeilijk uit te leggen, maar als ik Lodewijk zie fietsen, denk ik altijd aan een Christen die het licht heeft gezien. Of zoals ik hem hier wel eens vaker genoemd heb: een glundermannetje.
Vorige week kwam er een ooievaar om een derde kind bij de Asschers te droppen. Lieuwe heet de derde zoon. Nu zal Lodewijk waarschijnlijk over moeten gaan tot een zijspan. Of hij stapelt z’n kinderen op. Dat kan ook. Wat ik in ieder geval durf te stellen, is dat hij het niet bij drie kleine Asschertjes laat. Lodewijk is zo’n man die gewoon doorfokt tot hij een elftal kan samenvatten. FC. Asscher. Zo lang het kan. Fok around the clock.
Deze column verscheen eerder in De Echo
Terwijl ik hier zat te werken, was de buurvrouw boos op de poes.
‘Kankerteef, Kom hier.’
‘Kutbeest.’
‘Jezus.’
‘Verdomme, tering kat.’
Ze houdt van dat beestje. Want ze is nu al een uur bezig de poes
van het balkon van de andere buren te halen. Ze kreunt en ze steunt.
'Waarom luister je toch niet.'
De jongeren van de Doopsgezinde gemeente vroegen me een column te schrijven voor hun blad, Backstage. Dat doe ik graag. Vandaag krijgen de doopsgezinden hem op de deurmat, maar aangezien niet iedereen doopsgezind is, zet ik hem hier ook online.
Daar stond ik. In een te kleine abri. De regen sloeg neer op de verlaten rails. Het GVB staakte. Alweer. Ik keek een beetje dromerig naar een verzopen zwerver en besloot dat ik ook een keer wilde staken. Niet vóór het GVB, maar tegen.
Hoe vaak heb ik niet een tram aan mijn neus voorbij zien rijden, die niet stopte omdat hij op tijd bij de volgende halte moest zijn. Kaartjesknippers die je naar voren – en dan weer naar achteren- snauwen. Buschauffeurs die het idee hebben dat ze Michael Schuhmacher zijn. Ik ben een keer kotsmisselijk geworden na een ritje van tien minuten in een GVB bus.
Ze haatten ons bij het GVB. Of het GVB geprivatiseerd moet worden of niet, weet ik niet. Wat ik wel weet, is dat er van (Essiaanse ) hoffelijkheid bij de hoofdstedelijke vervoerder geen sprake is. En dan kan ik wel eenzaam met een sandwichbord om mijn schouders over de trambaan lopen, maar dat maakt geen indruk. Nee. Ik stel voor dat we de boel omdraaien. Dat wij blijven glimlachen als we weer door elkaar gehusseld worden in een overvolle bus. Dat wij liefdevol de roos van de conducteur zijn schouders vegen. En dat wij –bij aankomst- met tranen in de ogen de trambestuurder bedanken voor de geweldige rit. Dat zal ze leren.
Deze column verscheen eerder in De Echo
Rita Verdonk. Zaterdag stond ze weer even in de Volkskrant. In het magazine. Een mooi verhaal van Toine Heijmans. Als je het uit hebt, zucht je. Dat kan niet anders. Das war einmal. Vandaag figureerde Rita ook in de column van Aaf Brandt Corstius. ‘Rita Verdonk is tegenwoordig werkloos (…). Ayaan is een van de invloedrijkste mensen ter wereld (…)’ Zo’n zin zegt alles.
Rita en Ayaan. Die nacht. Rita wilde Ayaan het Nederlanderschap afpakken. Daarop viel het kabinet. En vloog Ayaan uit naar Amerika. Heel af en toe is ze in Nederland te zien, maar niet veel meer. Ayaan is in feite geen Nederlander meer. Rita des te meer. Ze zit in de tuin. Ze staat voor de klas. Ze is directeur-eigenaar van Rita Verdonk bv. Het zal wel een van de laatste artikelen over Rita zijn. Over vijf jaar willen we de prak nog een keer opwarmen, dan kijken we nog een keer terug op haar ‘trotse’ verleden en haar 620.555 voorkeurstemmen.
Het is gek, maar het stemt me weemoedig dat we nooit meer wat van Rita zullen vernemen.
Voor nog geen 270 euro per maand zit je midden in het centrum van Haarlem te werken. Maar er is meer. In het gebouw aan de Parklaan zitten 25 media- en marketingprofessionals. Allemaal kleine bedrijfjes, die ook wel onder één noemer kunnen werken: The Harlem Legacy. Inspirerende mensen, die elkaar opdrachten toeschuiven, elkaar beïnvloeden, maar ook met elkaar lunchen en vrimibo’en.
De kamer – ongeveer 25 vierkante meters – is licht, ruim en prettig. Het uitzicht is vrij. En met een beetje fantasie heb je ook je eigen dakterras. Naast de kamer, de concullega’s en de sfeer, staan er meerdere ruimtes tot je beschikking. Er is een ruime entree, een vergaderzaal en een kelder waar dagelijks wordt geluncht. Voor 30 euro per maand kun je mee lunchen. Daarnaast is er een parkeerterrein voor de deur, dus gratis parkeren.
Voor informatie kun je contact op nemen met Jasper Nuit, voorzitter van de Harlem legacy – 0651845434. Als je mijn naam noemt, weet hij om welke kamer het gaat. Kijk ook eens op de website: www.harlemlegacy.com.
Met dit weer denk ik weer even aan Khadija, mijn moslima, mijn liefde. Het was in het begin van deze eeuw. We lagen in het Vondelpark. De zon scheen. Omdat ik elke seconde wilde koesteren als een pasgeboren baby smeerde ik me niet in. Die avond was ik dan ook zo rood als de PvdA ooit geweest is.
Begin eenentwintigste eeuw. Het Vondelpark had nog charme. Scooters en bontkraagjes waren er nog niet. Wegwerpbarbecues en plastic flessen Rosé werden toen gewoon in de prullenbak gegooid. Destijds was het het park van de belofte.
Khadija was jong. Haar hoofddoek zat in haar tas. Naast de Koran en een boek van Paulo Coelho. Als we samen waren, was er geen omgeving. Geen islam. Geen spruitjes. Voor Khadija was Wilders net zo’n hufter als Mohamed.
Het was net zo’n dag als deze. Warm. Lieflijk. Zwoel. Ik aaide de zwarte haartjes in haar nek. Zij keek uit over de vijver. Ze huilde. Toen ik vroeg wat er was, zei ze: Jij bent Willem Duys en ik ben Mies Bouwman.
(…)
Dat was Khadija. Geen Romeo en Julia. Geen Tristan en Isolde. Nee. Mies en Willem. We kusten elkaar daarna, zoals Mies en Willem kusten, lang geleden.
Als ik Andreé van Es zie, zie ik een vergrijsde, maar intens mooie vrouw. Ik hoor Beethovens negende. Ik zie een terras in het Vondelpark. Ik zie een knipmessende ober die haar een macchiato voorzet. De blaadjes dwarrelen om haar mooie schoenen. Met een glimlach drinkt ze. Hoffelijke mevrouw, die op elk moment een wervelende tango kan dansen.
Andreé vindt dat de Amsterdammer wat hoffelijker moet zijn. Dat is mooi. Maar wat betekent dat? Niks. Het was een oproep. Dat doen politici steeds vaker. Het unieke is dat het nu van een linkse politica komt. Meestal was dit het domein van vooral christelijke politici. Jan Peter Balkenende met zijn normen en waarden. Maar ook Hester Maij – met heur haar zo lang als de Amstel zelve – deed ooit zo’n oproep. Toen lachten we.
Wat ik ook nu weer miste, was wat de politiek kan doen. Wat de overheid kan doen. Want die is ook niet altijd even hoffelijk? Nu is het een losse oproep, aan iedereen. Waarom richt ze zich niet rechtstreeks tot de trambestuurder die de passagier hoogstens gedoogt. Of waarom spreekt ze haar eigen ambtenaren niet aan?
Andreé vertrouwt echter op haar mooie ogen. Op haar prachtige lippen, waar van die mooi gearticuleerde woorden uitkomen. Maar de tango dansen, Andreé, dat kun je niet alleen met woorden. Dan moet je ook bewegen.
Deze column verscheen eerder in weekblad De Echo
God zoeken. Dat ga ik deze zomer -samen met Thijs Kleinpaste - doen. Over die zoektocht schrijven we vervolgens een boek. Dat hele project houdt me zo in de greep dat ik er vannacht over droomde. Hij zat namelijk vannacht bij mij op de bank. Een iel mannetje met een spijkerjasje. 'Ik ben God', zei hij. Ik had hem eigenlijk bij de biologieleraren ingedeeld. Maar toch was hij het: God zelve. Een onopvallende verschijning. Hij hield een boek omhoog. Op de voorkant stond een oranje Fiat Panda, daaronder de namen van de auteurs. Toen zei God: ‘waarom zo’n zoektocht ondernemen, als je het ook gewoon aan mij kunt vragen?’
Het was diep in de nacht. Doodstil. Ik werd even wakker, glimlachte en ging weer slapen. Van de 101 wilde plannen die elke dag bij me opborrelen, is dit er één die blijft. Het geeft me energie. Voor ons ligt een idioot hoge berg, maar we gaan hem beklimmen. Boeken lezen. Schema maken. Afspraken plannen. De zomerse zoektocht naar God wordt steeds groter.
Op onze roep om een medewerker die ons kan helpen bij die Goddelijke zoektocht kwamen al een aantal goede reacties binnen. Dat geeft nog meer moed. Nog meer energie. Stiekem denk ik dat de ‘allerhoogste’ er achter zit. Die zit me al jaren in deze richting te duwen. Wellicht dat hij ook nu onze oranje Fiat Panda –het vehikel om God in den lande te bezoeken - aan duwt.
Op de foto hierboven staat overigens mijn vorige auto, een zwembadblauwe Seat Marbella
Deze zomer ga ik samen met Thijs Kleinpaste op zoek naar God. Met een oranje Fiat panda willen we godshuizen bezoeken, we willen mensen spreken. We willen zien, voelen, horen en ervaren. Onze reis door Nederland moet een boek worden. Een mooi boek, waarin verwondering zit, maar ook spanning en relativering. Wat drijft mensen tot God? Of wat drijft ze er weer vandaan?
Hiervoor zoeken wij een enthousiaste … (m/v) die ons een aantal zaken uit handen kan nemen. Het gaat om regelzaken, administratieve zaken, maar ook research. Je hebt dus ook invloed op de uiteindelijke richting van het boek.
Wij zoeken:
Een (soort) bureauredacteur voor een paar uur per week
Op dit moment zijn we nog druk met de fondsenwerving. Ook willen we gedeelten van het boek verkopen aan kranten en/of weekbladen, maar op dit moment kunnen we daarover nog weinig zeggen. Daarom kunnen we over honoraria nog geen uitspraken doen. Anders gezegd: voor het geld moet je het niet doen.
Waarom dan wel? Omdat je het leuk vindt om mee te denken over een boek over ‘de allerhoogste’, omdat je wil inspireren, meedenken en mee wil varen, vallen en opstaan met ons. Omdat je het leuk vindt om een boek te maken.
Wat je terugkrijgt? Stel dat wij God vinden, dan ben jij de eerste die hem te zien krijgt. Mocht het resultaat tegenvallen, dan heb je meegewerkt aan een inspirerend project. Voor de rest krijg je van ons vriendschap en een mooi verhaal.
Solliciteren?
Mail een korte motivatiebrief en je cv naar
Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken
en
Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken
Ervaring is niet strikt noodzakelijk. Opleiding eigenlijk ook niet. Spontaniteit, gedrevenheid, niet bang zijn, durf hebben en inspireren zijn belangrijkere eigenschappen.
Voor sommige mensen heb je een zwak. Niet omdat je het met ze eens bent, maar omdat ze een bepaalde tragiek verspreiden. Een beetje blues. Een beetje poëzie. Ik heb dat met Thijs Berman, fractiehoofd van de PvdA in Europa.
Twee jaar geleden ontmoette ik hem voor het eerst. Hij kwam met de trein. De trein uit Europa. Daar woont hij. Want als er één echte Europeaan bestaat, dan heet hij Thijs Berman. Ik durf wel te stellen dat Thijs de man is die Friedrich Schiller in z’n hoofd had toen hij ‘alle menschen brüder’ wilde maken.
Ik zag vannacht Eberhard van der Laan verschijnen aan mijn geestesoog. Hij droeg een donker pak. Zwarte stropdas. Hij at. Hij prakte de aardappels. Met zijn linkerhand pakte hij een sperzieboon en at deze met smaak op. Toen hij klaar was, veegde hij zijn mond met een servet af en keek mij indringend aan. ‘Die Lodewijk Asscher moet zijn laarzen in de klei zetten.’ Toen stond hij op. ‘Als-ie lef heeft, trouwt hij met dat meisje van Halsema.’
Toen werd ik wakker.
Onder de douche zat ik over die droom na te denken. Het heeft iets te maken met mijn onvrede over de PvdA, die zwalkende politiek bedrijft. Wat ik eigenlijk droomde, was dat Eberhard van der Laan een troonsopvolging voorbereidt. Lodewijk Asscher gaat binnen nu en een jaar Job Cohen opvolgen bij de PvdA. Let maar op. Hij wil niet. Hij zal tegenstribbelen. Hij zal iets roepen als zijn werk afmaken in de stad. Maar hij heeft geen keus. Als Eberhard het wil, staat hij volgend jaar hand in hand (kameraden) naast Femke en Willem de vierde op het bordes te zwaaien.
God ziet dat het goed is.
Ik zong een liedje en zag hoe het schuim van mijn lichaam spoelde en naar het doucheputje dreef. Ineens zag ik een ander Nederland voor me. Een land van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Femke en Lodewijk zullen op de Dam hun regeringsverklaring voorlezen. Eberhard staat er – als trotse vader- goedmoedig bij. Met z’n drieën staan ze vervolgens op het balkon. Ze zwaaien naar de Amsterdammers. Hier – in de hoofdstad – is het begonnen. Hun stad wordt hun land. Ons land.
Achteraan. Ergens in de grauwe menigte staat Mark. Hun oude vriend. Hij heeft een donker pak aan. En een hoed op. Maar als hij de knoop van zijn jas lospelt, verschijnt er een glimp van een lichtblauwe stropdas. Hij glimlacht. Verbeten. Daar had hij naast kunnen staan. Maar ja, God besliste anders, beseft hij.
Deze column verscheen deze week in weekblad De Echo
Twee jaar geleden gingen de liefdevolle leden een alliantie aan met Mark Rutte. U kent hem wel. De VVD'er die nu zo innig met de SGP samenwerkt en daarom het schrappen van de wet op de smalende godslastering in de ijskast zet. Destijds dacht Mark daar heel anders over. Toen schreven we (Eddy Terstall, Job van Amerongen en ik) samen met hem een stuk in de Volkskrant over de vrijheid van meningsuiting. Uit de oude doos, maar wellicht helpt het Mark een beetje.
Eens in de twee weken ben ik panellid bij Obalive, een radioprogramma. Zo ook gisteren. Gebabbel over het nieuws. Niks geks. Maar toen Theodoor Holman z’n oortje uitdeed en we nog wat na spraken over de uitzending kwam er een man op me af die me ging ‘waarschuwen’. Hij was een ‘gezondene’ van de ‘allerhoogste’. En die allerhoogste had ik –met mijn ‘geschrijf’ beledigd. Ik moest – zo prikte hij op mijn borst- mijn ‘verantwoordelijkheid’ nemen.
(…)
Deze man, keurig gekleed, baardje, harde ogen, was speciaal voor mij naar de OBA gegaan om mij te ‘waarschuwen’. Toen ik dat zei, kwam Theodoor erbij staan. Hij herhaalde zijn woorden nog maar eens. ‘U bent gewaarschuwd.’ En iets in de geest van ‘er staat een straf op het beledigen van de allerhoogste’.
Ik heb wel eens een gelovige boos gemaakt. Dan kreeg ik een mailtje. Dat ik niet over HEM mocht schrijven, omdat ik HEM niet kende. In uitzonderlijke gevallen belde iemand me op om me voor ‘joodse flikker’ uit te maken.
Maar dit kwam toch heel dichtbij. Een man. Alleen. Die speciaal voor mij komt. Die me waarschuwt. Vooral die knalharde ogen zie ik zo weer voor me. Vooral toen ik zei dat zijn God de mijne niet was, spoot hij vuur. Toen ik vroeg of hij me nu zat te bedreigen, herhaalde hij alleen maar: ‘Ik zeg alleen dat u gewaarschuwd ben.’ Vervolgens prevelde hij nog iets over de allerhoogste.
Ik trilde. Ik slikte woorden in. Ik wilde van alles zeggen over die allerhoogste. Maar ik zei niks.
We hebben er lang op moeten wachten. Ajax. Kampioen. Ik moest even spitten in het geheugen. 2004 was de laatste keer dat we de schaal omhoog hielden. Wesley Sneijder speelde nog. Van der Vaart. Maxwell. Ibrahimowitz. Dat zijn toch namen uit een ver verleden. Maar ze klinken luid op de internationale velden. Ronald Koeman stond toen nog bekend als een veelbelovende trainer. Hij smeedde de boel aaneen. ABN AMRO stond nog op het shirt. Die bank was toen nog een indrukwekkende bank. Cohen lachte toen nog, als burgemeester van Amsterdam.
Cohen en Ajax zaten in 2004 allebei in de lift. 2004 was het jaar dat Theo van Gogh vermoord werd. Het jaar daarna won Cohen alle prijzen. Hij werd zelfs bijna wereldkampioen burgemeesteren. Met respect noemde men zijn naam. Hij was de grote held. De ideale premier. Vorig jaar werd hij bijna kampioen van Nederland, al was de roem er toen al af. Hij moest zijn meerder erkennen in de okselfrisse Mark Rutte.
De PvdA is Ajax niet. De vergelijking met Feyenoord dringt zich meer op. Mooi stadion. Een roemrijk verleden. Handen uit de mouwen. Wouter Bos, de enige Amsterdammer die in een Feyenoord-pyjama slaapt, voelt zich er thuis. Ajax is meer de VVD. Denk ik. Beetje protserig. Beetje arrogant. En ze winnen met minimaal verschil en mager spel.
Maxima is veertig. Onze eigen prinses Grazia. Of prinses Di. Max is braver. Maar ze heeft wel dezelfde treurnis in haar ogen. De tango die ze danst, meestal alleen, als Willem snurkt, is vol energie. Ik zie handen. Ik zie borsten. Ik zie billen. Maxima is eigenlijk een sexy modderfokker in een land vol kikkers. Prinsessen hebben dat. Die dansen in het donker. Die smachten naar witte paarden. Maar als ze naar Adios Nonino luistert, ziet ze een ander. Haar echte prins. Op datzelfde moment denk ik ook aan haar.
‘Zeg, meneer de autochtoon…’ mailde iemand me. ‘Als je het allemaal zo goed weet, kom dan een keer met mij koffie drinken.’
Ze heette Fatima. En droeg een hoofddoek. Ze mailde me, omdat ze wat kwijt wilde, wat ik stelselmatig over het hoofd zie. Discriminatie. Uitsluiting. ‘Dat geschrijf over de islam is een ding. Maar er is ook een andere kant.’
Vandaag drink ik alleen. Wijn van de Albert Heijn. In een
glas van de Ikea. Caro Emerald zingt over een andere vrouw. Hoewel ik dol ben
op die miezerige regen van eenzaamheid. Van blues. Vandaag knalt alles er in, als
hagelstenen.
Er staat een groen ei dat licht geeft op tafel. Nog van
Guusje gekregen, destijds voor mijn nieuwe huis. 'Zet die voor je raam, dan weet ik dat je thuis bent.' Deze avond schrijf ik alleen
deze zinnen. Meer niet. En ik drink. Alleen. Wijn van de Albert Heijn.
"We hebben geen goede ervaringen met regeren met de PvdA. Dat gaat heel ver terug." Dat zei Gerda Verburg vorige week in een interview met Nu.nl.
Ik dacht: ja.
Daarna dacht ik: Jezus. Gerda heeft hartstikke gelijk.
Voorlopig, zei Gerda, wil ze niet meer met ons samenwerken. Ik voelde me weer een puber en zei tegen mijn beeldscherm: ik wil ook niet meer met jou spelen! Toen Jan Peter Balkenende later in Pauw en Witteman allerlei PvdA'ers de schuld gaf van het mislukken van zijn christelijke kabinet wist ik het zeker: We moeten iets duidelijk maken: dat we geen enkele partij meer buitensluiten, behalve het CDA. Het CDA is een partij van God. Wij zijn van de mensen. Laten we het eens zo simpel uitdrukken.