
We liepen over de begraafplaats en ik legde Lucas (3) uit wat dood was. Maar dat ging er niet in. Waarom zou je hier gaan liggen als je dood bent, vroeg hij. Daar had ik geen antwoord op. Net als dat ik met mijn mond vol tanden sta bij de dood van Martin Bril. Ik heb hem nooit gesproken. Maar bijna elke dag nam ik ‘hem’ mee naar de wc – om de krant en daarmee het ochtendritueel af te sluiten.
Ik voel me ontheemd. De Volkskrant is mijn krant. Daar word ik al jaren mee wakker. En Martin Bril nam me elke dag mee op zijn tochten. Langs rotonden, langs koeien en langs rokjes.
De normale krant lees ik thuis of in de trein, maar Martin mocht mee naar de wc. Dan hoorde ik de geluiden van tegenstribbelende kinderen. Kinderen die wilden eten. Of juist niet. Ik hoorde een moeder vloeken. De auto van de buren starten. En ik zat – samen met Martin – een moment voor mezelf te hebben. Even niks. Even rust. Heerlijk.
Dat kan niet meer.
Nooit meer.
Er is er maar één die eventueel zijn plek op de voorpagina mag innemen. En dat is Remco Campert. Hij is sinds twee weken weer terug in de krant op zaterdag. Maar hij zou zoveel leed verzachten als hij weer elke dag – of met Jan Mulder – mij begeleidt in het ochtendritueel. Mijn tweede zoon is immers naar hem vernoemd: Laurens Campert Anne.
Maar niet te vlug. Denk nog even aan hem. De man die altijd op de eerste pagina van het katern stond. Elke dag vrolijk. Elke dag nieuw. Misschien is het goed om die plek voorlopig leeg te houden. Als eerbetoon aan Martin Bril.
Toen Theo van Gogh vermoord werd, heeft de Metro - waar hij wekelijks in schreef – het hele volgende jaar zijn plek open gehouden. Dat deed pijn. Elke keer als ik in de trein die open plek zag, voelde ik me even eenzaam. Ik voelde de dolk in mijn borst.
Met Martin Bril voelt het anders.
En toch hetzelfde.