
Feest is het. Dat dacht de jongen. Ja, maar. Dacht het meisje. Ze lagen in de Prinsengracht met een bootje dat niet meer mensen kon dragen. Toch hadden ze er nog een ton met ijs en wijn in staan en wat versnaperingen. Een stereo braakte Nederlandstalige liedjes uit.
De jongen trok zijn T-shirt uit en danste een paar seconden. ‘Dat zou de koningin ook gewild hebben.’ Toch voelde hij zich niet helemaal zeker bij zijn woorden. Hij ging zitten en nam een teug van zijn rosé. ‘Waarom moeten klootzakken het altijd verpesten?’ Hij keek over de gracht uit. Meerdere mensen hadden dat gevoel. Een zwarte Suzuki Swift had in Apeldoorn niet alleen veel doden gemaakt, maar ook een rem op alle vreugde gezet.
‘Alsof je in volle sprint gestopt wordt’, zei het meisje. Ze keek naar haar glas. Dat vond de jongen maar een lullige vergelijking. ‘Alsof je bijna klaarkomt en dat dan je schoonmoeder binnenkomt’, antwoordde de jongen geërgerd. Hij wilde weer gaan staan, maar de boot wankelde zo dat hij snel weer ging zitten.
Toen zaten ze vast. Niet vooruit. Niet achteruit. Het meisje keek op haar telefoon. ‘D’r zijn er al vier dood’, schreeuwde ze, terwijl ze boven de stem van Frans Bauer uit wilde komen. De jongen zei niks. Hij zette zijn oranje zonnebril op, krabbelde even geërgerd aan zijn kruis en stond toen op om luidkeels: ‘heb je even voor mij…’ te brullen. Mooie tekst.