Toen er om drie uur ’s nachts een kind huilde, dacht ik: is dit het? Het leven. Tandjes die doorkomen. Alle begrip. Hij heeft pijn. Maar Jezus. Moet dat midden in de nacht? Als hij getroost is, is hij klaarwakker en slaat mij continu op mijn hoofd. Hij lacht en kraait van plezier.
In de trein zie ik de student zitten. Zijn blonde haren over een blauwe jas gedrapeerd. Een pakje sigaretten in zijn borstzak. Hij kijkt uit het raam en belt luidruchtig. In alles wat hij zegt, zit verwachting. Hoop. Zijn leven begint. Nu. Nu hij naar Amsterdam gaat. Ik herken mezelf, toen ik voor het eerst naar Amsterdam ging en een kamer van twee bij vier huurde. Twintig jaar later zit ik gapend in dezelfde trein. De trein naar Amsterdam.
Wat zou ik denken van Geert Wilders? Toen? De jongen, met zijn blonde haren en zijn blauwe jasje, geeft het antwoord. ‘Het is gewoon een racist’, zegt hij, terwijl hij even naar zijn eigen gulp kijkt om te controleren of die dicht is.
Wat zou ik van kinderen denken? Ook hier geeft mijn student het antwoord. ‘Als je me ooit iets te klef met een vrouw ziet, moet je me aan mijn haren wegtrekken.’ Weer krabbelt hij aan zijn kruis. Het is duidelijk dat er nu echt iets scheef zit. Ik kijk ernaar en daarna naar buiten.
Gepost op: 14:28 - 11-06-2009 |
|
|
|
Reacties op dit bericht (1) |
|
|