 Uit de serie: zomercolumns. Vandaag mijn allereerste ‘interview’ dat ik op de website van de PvdA Amsterdam zette. In 2003. Hij was onderdeel van een serie. Maar waar die andere ‘interviews’ gebleven zijn, is een raadsel. Het is een berichtje dat eindelijk een tegengeluid moest toelaten. Eigenlijk is het toen ‘mis’ gegaan met de website van de PvdA Amsterdam.
Zomaar een interview met zomaar een PvdA’er in zomaar een stadsdeel. Marcel Duyvestijn trekt door de stad. Dit keer Jan en Mien
Ze wonen al vijftig jaar in de Lemairestraat in stadsdeel Westerpark.
‘Niet waar.’
‘Wel waar.’
‘Niet waar,’ zegt haar man nog een keer. ‘Wij wonen in dit huis bijna veertig jaar. En jij hebt een paar jaar in Spaarndammerstraat gewoond.’
‘Dat is toch ook in de buurt?’ riposteert ze.
‘Jawel, maar niet in dezelfde straat.’
Hij is 76 en zij is 74. Jan en Mien uit de Spaarndammerbuurt. Hij is gepensioneerd havenarbeider en zij ‘heb de kinderen grootgebracht.’ En ze stemmen nog steeds PvdA. Bos is hun held. ‘Nou ja, niet overdrijven, Mien.’ Drees eigenlijk. Daar danken ze hun WAO aan. Die had een hart. Die zorgde voor de mensen. En toch was-ie ook een realist. Maar ‘die vent van Ouderekerke’, die komt ook wel in de buurt. ‘Die heeft wel goede ideeën, denk ik.’ Met de rest hebben ze niet veel op.
Vroeger woonden ze ‘in een nette buurt’. Een rode buurt. Hier woonden de havenarbeiders. ‘Mijn vader zat in de haven.’ Mien steekt een sigaret op en schenkt mij nog een kop koffie in. ‘Het werk werd verdeeld in het café. Dat was eigenlijk heel oneerlijk, want mijn vader was van de blauwe knoop en kwam daar dus eigenlijk niet. Sowieso was dat niet goed. Die arbeiders werden ook in de kroeg uitbetaald. Ik weet niet of dat een bepaald beleid was, maar het kwam wel eens voor dat ze hun loonzakje in de kroeg al opzopen. En dan hadden ze daar weer geen eten in huis.’ Ze trekt aan haar sigaret waardoor haar longen piepen. ‘Nee, jongen, dat was een harde tijd.’
‘De PvdA. Dat was een partij van strijders. Van liederen. Van de AJC. Tegen het onrecht. Alles voor de gelijkheid.’ Rood was hun kleur en de partij zat verankerd in hun ziel. In de buurt woonden allemaal PvdA’ers. ‘Eigenlijk waren we allemaal een beetje hetzelfde. Van de partij. Ze lazen Het Vrije Volk en luisterden op de radio naar de Vara.’ Ze hadden eigenlijk geen enkel contact met andersdenkenden. ‘Die Katholieken, dat waren schoften. Een beetje vroom doen in de kerk, maar wel de hele tijd zuipen in de kroeg.’ Daar bemoeiden ze zich niet mee. Ze hadden hun eigen socialistische zuil ‘en dat was goed.’ Ze zijn nog steeds bij de partij, maar ze hangen niet meer de poster achter het raam. ‘IK kan moeilijk op iets anders gaan stemmen,’ zegt Mien. ‘Maar dat ze voor ons soort mensen opkomen, kan ik toch ook niet merken.’ De buurt herkennen ze niet meer. ‘Het was vroeger een rode buurt, allemaal waren we van hetzelfde eigenlijk.’
‘En dat is nu weer zo,’ roept Jan vanachter de krant.
‘Hij bedoelt dat het allemaal Marokkanen zijn tegenwoordig,’ fluistert Mien.
‘Het zijn nu allemaal Marokkanen,’ schreeuwt Jan.
Mien knikt. ‘Hij is wat radicaler.’
‘Nu zijn wij de allochtonen.’ Jan vouwt zijn krant op en vraagt of er nog koffie is.
Mien knikt weer. ‘Hij heeft wel een beetje gelijk. Die allochtonen zitten allemaal bij elkaar. En die bemoeien zich niet met ons.’
En toch hebben ze nooit problemen gehad. Jarenlang woonden er Turkse mensen in hun portiek. ‘Jan heeft die kinderen vroeger nog geholpen met hun huiswerk.’ Hoewel ze elkaar niet helemaal begrepen, hadden ze een goede band. De Turkse vrouw haalde destijds nog wel eens boodschappen voor Mien toen ze problemen kreeg met haar heup en ‘wij hebben wel eens opgepast op die kinderen van hun.’
‘Maar wat ik nou niet begrijp,’ vraagt Jan zich hardop af, ‘is dat die kinderen dan toch naar Turkije gaan om daar een bruid vandaan te halen.’
Mien lacht. Ze ziet de komst van de Turkse bruid in de straat weer voor zich. ‘Godzamme, ik zie dat kind nog hier de straat in komen. Ze keek d’r ogen uit met al die auto’s. Ze kwam van het platteland. En dan werd zo in Amsterdam gegooid.’
‘Ze kon wel goed Bak… Baklala bakken. Hoe heet dat ook alweer, dat gebak van ze?’
‘Bakhlava,’ verbetert zijn vrouw. ‘Ja, dat kwam ze een keer brengen. Ze woonde toen al, nou, een jaar of tien in de straat hier achter, maar geen woord Nederlands hoor.’
‘Dat ze daar nou niks aan doen,’ zegt Jan weer. Hij zou eigenlijk niet ‘meedoen’ aan het gesprek, maar kan zijn commentaren maar moeizaam voor zich houden. ‘Als ik die Ouderekerk zou spreken, zou ik tegen hem zeggen dat iedereen Nederlands moet spreken. Verplicht. Als ze het niet kunnen, hup, terug.’
‘Als-ie die wethouder tegenkomt, zegt-ie niks,’ fluistert Mien. ‘Die Ouwerskerk woont ook in de Spaarndammerstraat, aan het begin. We zijn hem wel eens tegengekomen. Hij groette ons, maar Jan zei niks. Maar hier weet-ie het allemaal zo ontzettend goed.’
‘Wat zeg je Mien?’
‘Dat ik je zo lief vind.’
Gepost op: 23:00 - 11-07-2009 |
|
|
|
Reacties op dit bericht (0) |
|
|