Hij vond het een idioot land. En een idiote stad. En een dom klein pleintje, die Dam in Emsterdem. Hij heette Kevin en droeg een driekwartbroek, witte sokken in sportschoenen en een Hawaïblouse. Zijn bril was een bril en zonnebril ineen.
Kevin stond op de Dam en keek naar zijn vrouw – die tien meter verderop stond. Hij had de kaart van Amsterdam in zijn handen en riep: “Ik wil naar McDonald.” Zijn vrouw riep iets en wees naar Madame Tussauds. Door een hard rinkelende tram, die een collega-toerist bijna het leven kostte, kon hij zijn vrouw niet horen, maar dat deed er niet toe. Het ging om hem. Hij wilde eten. Hij wreef zelfs over zijn buik om aan te geven dat die het voor het zeggen had.
Maar zijn vrouw – met eenzelfde omhoogklapbare zonnebril – was onverbiddelijk en marcheerde naar het wassen beeldenmuseum. Hij keek naar haar billen en gooide gefrustreerd zijn kaart op de grond en draaide zich om. Hij bleef met zijn armen over elkaar staan, met zijn rug naar zijn vrouw. In zijn houding zat de verwachting dat ze wel terug zou keren. Maar dat deed ze niet.
Kevin keek nu hulpeloos. Hij raapte zijn kaart op en liep naar het stoplicht, waarbij hij om de drie seconden ‘Hé’ tegen zijn vrouw riep die al aan de overkant was. Toen hij eindelijk bij haar was, zei zij: Misschien hebben ze van Ronald McDonald ook wel een wassen beeld gemaakt.