
Terug van vakantie. Bijna drie weken van de wereld afgesloten. Door het raam aan de voorkant van ons huis kon ik al zien dat de buurman uitstekende stapels had gemaakt voor ons. Een stapel kranten. En een stapel enveloppen (waarvan sommigen blauw). Die is voor later. Eerst de kranten. Want al de hele terugweg dacht ik aan de doden. Wie is er doodgegaan, terwijl ik er niet was? Simon Vinkenoog en Michaël Zeeman.
Over de doden niks dan goeds. En toch. Beide ‘schrijvers’ waren eigenlijk netwerkers. Mensen zonder al te veel talent voor de dingen die ze het liefste deden. De één als opperhoofd van de
vijftigers, de groep dichters met onder andere Remco Campert en Hugo Claus. De ander was ‘intellectueel’ met internationale connecties.
Vinkenoog was de Herman Brood van de letteren. Misschien iets minder suïcidaal. Maar zijn hang naar de ‘nog grotere ervaring’ leverde geen mooie poëzie op. Ik heb hem een keer ontmoet op een avond over de vijftigers. Hij was het middelpunt. Hij was de clown. Hij was de ridder. Maar Campert, Kouwenaar waar de virtuozen. Verlegen, maar mooie woorden. Kouwenaar die ze onder zijn snor vandaan liet wurmen. En Campert die sommige zinnen begeleidde met een tikje op zijn bril om deze weer boven op zijn neus te zetten. Heerlijk. Woorden zijn als… Ja, als wat eigenlijk?
Zeeman was de intellectueel. Woonde in Rome. Natuurlijk. Zijn taalgebruik was pompeus. Eigenlijk was hij Nietsche, Plato en Slauerhoff ineen. En hij correspondeerde met al die internationale Umberto Eco’s en Philip Roths alsof het zijn beste vrinden waren.
Ayaan vond hij de Tara Sing Varma van de VVD. Hij kon haar niet serieus nemen, omdat ze zich liet ‘adviseren door oudere witte mannen’. Dat zij de Voltaire van deze tijd werd genoemd, vond Zeeman om te gieren van het lachen. Een intellectueel. Natuurlijk.
Dan toch maar Simon Vinkenoog. Was misschien niet het grootste talent. Daar voelde hij zich ook misnoegd over (volgens uitgever Vic van de Reijt in De Volkskrant). Maar hij had wel iets vrolijks. En vrolijke dingen hebben iets pretentieloos. Iets lieflijks. En dat kalmeert.