
België. Als je bij Lille de grens over gaat, voel je het direct. Gaten in de weg, betonplaten, overwoekerend onkruid, weinig strepen meer op de weg. Het lijkt ze niet veel te interesseren, de ‘rijkswegen’. Als je dan dat blauwe bord met ‘Nederland’ voorbij hobbelt, houdt het kedeng-kedeng prompt op. Aangeharkt is het ineens. Schone bordjes. Zwart asfalt dat zoemt. Zacht wiebelend in je auto denk je weer: België. Wat is er toch altijd met België?
Ze houden niet van België, de Belgen. Het is er grauw. Het heeft een ‘lager plafond’ dan Nederland. En het heeft beton. Overal. Grijszwart verrot beton. Behalve de oude binnensteden – waar je wel staand een biertje wil drinken – hebben alle steden dat mistroostige, dat sombere, waar niks poëtisch aanzit. Het land van Hugo Claus en Erwin Mortier. Zwarte poëzie die collaboreert met de Duitsers. Het land van Rode Duivels. Maar het zijn Duivels met baarden.
Nu de gevangenissen leeglopen en de criminelen gewoon uit de rechtbank ‘opgehaald’ worden door hun ‘vrienden’ weet je dat België een periode ingaat van schaamte. De zoveelste periode van schaamte. Dat heeft ieder land. Nederland heeft de afgelopen tien jaar zo’n periode gehad. In het buitenland keek men verbijsterd op. Was dit het gidsland van voorheen?
België is nooit een gidsland geweest. Het is meer die pukkelige puber die altijd overal achteraan liep. En meestal met de verkeerde vrienden. Al sinds 1830 was ze onzeker. Lees de levensverhalen van de Leopolds, de eerste koningen. Dat is een treurige zoektocht naar waardering.
De meeste landen hebben een donkere periode. Corruptie. Aanslagen. Moorden. België heeft echter hoogstens een paar zonnige periodes, voor de rest regen, roestige regen.
En toch.
Als sociaaldemocraat moet je mensen helpen, ook pukkelige pubers. Laten we daarom met Sarkozy afspreken dat hij Wallonië ‘bevrijdt’, dan zullen wij het ‘vlakke land’ van Vlaanderen tot ons nemen.