
‘Ik ga voor je koken man!’ Ze wilde me eigenlijk omhelzen. De moslima. Ze was in extase. Eigenlijk zei ze: trouw met me! Ik voelde me de pasha. Ik zag het voor me. Druiven die ze in mijn mond stopte. Dadels. Passievruchten. De hele dag. Toen zei ik tegen haar - met van die lieve hondenoogjes: ‘Zal ik vandaag moslim worden?’
We zouden in Slotervaart gaan wonen. Achenebbisj flatje met betonrot. Geen werk. Geen geld. Maar Jezus. Wat zouden we gelukkig zijn. Samen. Ik een Marokkaanse sigaret. Zij in de keuken, met de couscous, zingend alsof de woestijn heel dichtbij was. Ze was zwanger van de drieling, Mohamed A, B en C. Als ik bij haar mocht zijn, zou ik zo moslim worden.
Maar ze vond het maar niks.
'Alleen maar omdat ik denk dat Allah niet bestaat?'
'Is wel een voorwaarde.'
'Dat is discriminatie.'
'Ah. Die heb je. Overal discriminatie in zien.'
De moslima wilde geen moslima zijn. Maar ze had haar familie. Haar vrienden. Haar taxichauffeurs. Het was of een bestaan als Ayaan Hirsi Ali of zwijgen en gedwee naar de grond kijken. Zij koos voor het laatste.
We hebben gekust. Jezus. Dat wel.
Het voelde alsof Mohamed en Jezus kusten. Tien minuten lang. Misschien wel de mooiste kus die ik ooit heb gekust. Ze had niet alleen zachte lippen, ze kon daar ook van die prachtig smakkende geluidjes mee produceren, alsof God allerlei kleine ballonnetjes doorprikte.
Toen voelde ik de traan. Hij kwam via haar wang op mijn wang. Ik wilde iets zeggen. Iets lulligs. Iets lolligs. Iets waardoor we weer verder konden kussen. Ons hele leven lang. Maar ze hield haar dunne wijsvinger voor haar lippen. Met haar ogen sprak ze. ‘Ik ga.’ Ze zweeg even. ‘En jij blijft hier.’