 Ze kwam terug. De moslima. Natuurlijk kwam ze terug. ‘Ok. Jij wint.’ Ze stond voor me, trok haar jas uit en keek me aan alsof ik degene was die niet wist hoe je een klok gelijk moet zetten. ‘Doe iets.’ Maar Jezus. Winnen van God. Dat is niet niks.
Toen we als gladde palingen in een wastrommel lagen te spartelen, dacht ik er continu aan. God. De alziende. De almachtige. Hij kijkt. Naar ons. De allergrootste webcam ter wereld. Hij kijkt en doet niets.
Na afloop zei ik het toch.
‘God vond het goed.’
Ze lachte. Op een manier van: als jij daar nou gelukkig van wordt dat God je gezien hebt.
En dat was ik. Ik lag naakt op de bank, rookte een sigaret en genoot nog steeds van Gods blik.
‘Ga je met mij vanwege hem?’ vroeg ze, terwijl ze een trekje van mijn sigaret nam.
‘Jezus. Ik…’
Wat kon ik zeggen? Ik heb ooit hevig gekust met een politieagente in uniform. Het zou nooit wat worden. Maar God. Dat dienstpistool tegen mijn benen. Die handboeien die om haar riem hingen. Die epauletten op haar schouders. Zoenen met een politieagent. Dat is zoenen met het gezag. Vooral het einde was mooi. Toen ineens die portofoon ging roepen: ‘overval in de Marnixstraat’.
Maar dat zei ik niet tegen de moslima.
Gepost op: 22:13 - 30-08-2009 |
|
|
|
Reacties op dit bericht (7) |
|
|