
Hu Chin was boos. Eerst mailde hij me. Toen belde hij. Zo zat ik op een zondagochtend - terwijl de kinderen in de zandbak taartjes bakten - met een Chinees probleem. Hu Chin voelde zich namelijk ernstig tekort gedaan. Niet zozeer door mij. Maar door ‘al die columnisten'. Het ging namelijk altijd over Marokkanen. Turken. Islamieten. Allochtonen. ‘Maar nooit over Chinezen.'
Had-ie hartstikke gelijk in. Chinezen. Zo'n groep die je niet ziet of hoort. Ze schuifelen over de Nieuwmarkt. ‘Dat is ons eigen Chinatown', zei Hu Chin trots. Allemaal ondernemers, rond de Zeedijk en de Gelderse Kade. ‘Alleen met het Chinese Nieuwjaar zenden jullie beelden uit van dansende draken.'
Ik gooide het restaurant erin. ‘Nederlanders gaan massaal naar ‘de Chinees'. Babi Pangang. Foe Yong Hai. Dat is op en top Nederlands. Met witte bakjes - altijd teveel. Met dat grijze papier eroverheen. Met die eeuwige vraag als je je plastic zakje aanpakt: ‘Sambal bij?' Kortom: ‘wij' hebben ons niet afzijdig gehouden.
Daar zat wat in. Vond Hu Chin ook. ‘Maar', ging hij verder. ‘Wij zorgen nooit voor problemen.' Dat mag ook wel eens gezegd worden. ‘Marokkanen. Turken. Het is altijd wat.' Maar wij...
Nee. Inderdaad. Ze hangen niet. Ze zitten niet in het gevang. Ze staan vooral in de keuken. Chinezen. Hardwerkende Amsterdammers. Niemand heeft er last van. Of ik dat niet een keer in een column kon opschrijven. Natuurlijk. In ruil voor een Foe Yong Hai doe ik alles.