
De moslima stond op. Ergens op een ochtend die liefdevol was. Ik zag haar billen wandelen. Lieflijk. Toen ze terugkwam, had ze een kop thee in haar handen. Ze hield hem met twee handen vast, zoals vrouwen dat doen. Niet om warm te worden. Meer om houvast te hebben.
Ze stond voor het raam naar de buurman te kijken. Ik keek naar haar rug. Ik zag dat ze dacht. Dacht aan het leven. Het leven van ons tweeën. Het leven dat ‘ons' in tweeën zou delen. Dat dacht ik. Maar ik zei niks. Ik keek alleen. Naar haar rug.
Schuldige rug. Zo'n rug als in Submission (de film van Ayaan Hirsi Ali). Zo'n rug met teksten. Met zweepslagen. Gebogen. Half ontsluierd.
Ze nam een slok.
Ze krabbelde aan haar linkerbil. Mijn moslima.
‘Ik ben gisteren gediscrimineerd', zei ze ineens.
‘Sorry.'
‘In de Albert Heijn. Ik kreeg te horen dat mijn soort op moest zouten. Dat hij die broertjes van mij van hun scooter zou schieten. Dat we eigenlijk allemaal maar op de boot moesten stappen.'
(...)
‘Weet je wat ik zei?'
‘Nee.'
Ze nam een slok. ‘Ik zei dat ik een Nederlandse vriend had.' Toen keek ze om. Naar mij. Haar vriend.
Ze keek er echter niet bij alsof die bekentenis haar plezier deed. Haar hoofd boog. En ze zuchtte. Onhoorbaar.
Het feuilleton:
Hier: Liefdesbrief aan de moslima
Hier, deel 2, Nog een keer de Moslima
Hier, deel 3, de dag dat ik moslim werd
Hier, deel 4, de drinkende moslima
Hier, deel 5, God als webcam
Hier, deel 6, Gehoofddoekte string