Twee bouviers op nog geen veertig vierkante meter. In De Pijp - vlakbij waar ik tien jaar geleden woonde. Dagelijks frommelde de vrouw - die aan het lijntje zat - ze het trapgat door, de straat op. Daar draaiden ze standaard hun eerste drol. Half zittend, half lopend, want de vrouw wilde door en blafte de honden af met een Duits accent. ‘Komm, schnell.' Vaak trok ze die bouviers richting Sarphatipark - daar snuffelden ze als varkens door de bosjes, op zoek naar eten.
Het klinkt lullig. Maar inderdaad, ze leek op die honden. Ook zij had dat onbestemde grijs, bruine haar dat met knopen aan elkaar zat. Ze was een kraker. Ze had schijt aan de wereld. Dat zei ze ook regelmatig. Als iemand haar op de uitwerpselen van haar honden wees, gilde ze iets over fascisme.
Men liet haar. Men liep om haar poep heen. Die poep kon je ook herkennen, omdat ze nooit echt hard waren. Niet zo'n mooi gedraaide drol - met de punt omhoog. Nee. Meer een flodderig hoopje, dat snel in elkaar zakte.
Ze is dood. Hoorde ik. Ze overleed op dierendag. Ze lag een week op de bank. De bouviers blaften. Het stonk. Maar dat was iedereen gewend. En dus kon ze daar een week liggen, terwijl die honden over haar heen wandelden. Het lege leven was ineens voorbij. Anoniem. Niemand wist hoe ze heette. Ze was die vrouw van die honden.
Deze column verscheen eerder in De Echo