
Bernard Welten, ons opperhoofd der politie. Hij is boos. En dus rent hij naar een journalist om zijn beklag te doen. Hij heeft last van Cohen. En van Guusje. De één houdt hem tegen. De ander praat nooit met hem. Hier zie je een ego dat diep gekrenkt is.
Dat is de tragiek van een politieagent. Je wilt van alles zeggen. Je wilt elke dag op televisie om te vertellen hoe goed je bent. Een beetje apengedrag. Je schiet, je vecht, je arresteert en dan mag je daar niet je trofee voor ophalen? Kijk, daar gaat het mis.
Politieagenten zijn mannetjes. Bokito’s die zich ’s ochtends op de borst kloppen. Bernard is de Bokito der Bokito’s. Hij rijdt bij voorkeur te paard naar het hoofdbureau. Zo’n glanzend wit paard, de manen wapperend in de Amsterdamse wind. Geen pistool of peperspray. Nee. Bernard heeft nog een sabel. En daar zwaait hij mee. ‘Je kunt niet van ons verlangen dat we sullige uitvoerders zijn’, zegt hij in het interview in NRC Handelsblad.
Z’n kin gaat omhoog, z’n oogleden glijden omlaag. Hoe durven ze? Hij. De man der mannen. Hij wil niet alleen diender zijn. Hij wil ook roepen. Hij heeft verdikkie toch een mening. Over hiphop bijvoorbeeld. Hiphoppers vindt hij allemaal criminelen. Hij vindt dat. En dus roept hij dat.
Bokito Bernard. Hij heeft het moeilijk. Als je zo groot bent als hij. Tja. Zie dan maar bescheiden te blijven