
Daar lag hij. Uit de boom gevallen. De mus. Het was er ook wel de dag voor. Zo’n dag met een verloren uur dat je de hele dag achtervolgt. Zo’n uur dat weggevaagd wordt. Waardoor je alle klokken gelijk moet zetten. Zo’n dag waarin je toch de hele dag denkt: eigenlijk is het nu… Op die dag, zondagochtendvroeg viel de mus uit de boom.
In het Vondelpark. Hij lag nog niet koud op het asfalt of een hardloper stapte erop, verstuikte zijn enkel, maar reanimeerde daarmee wel de mus. Zo’n dag was het, dat mussen gereanimeerd worden. Zo’n dag van Jan Doedel. Maar nog erger: zo’n dag dat je gaat nadenken wie die Jan Doedel nou eigenlijk was.
Op die dag kwam ik Marijke Vos tegen. De wethouder van GroenLinks. Toen ze voorbij was gelopen, wist ik het. Ik heb helemaal geen mus gezien. Ik had het gedroomd. Maar nu wist ik ook waarom. Ik had gedroomd van Marijke Vos, omdat die eigenlijk een musje is die met regelmaat uit de boom valt, gereanimeerd wordt, op merkwaardige wijze, en verder tjilpt.
Dat is het lot van Marijke Vos. Ze was naar Amsterdam geparachuteerd. Veel betere vogels konden we niet krijgen. Maar al snel ging het niet goed. Een gifboot. Een milieuzone. Al die onderwerpen vielen uit de boom. En Marijke floot vlijtig voort. Ze klapperwiekte. Dat ze bleef leven, had te maken met die continue merkwaardige reanimaties.
Deze column verscheen eerder in weekblad De Echo: