Een gelukkige gemeente. Dat was duidelijk. Een gemeenschap van wel tweehonderd mensen. Veel jonge mensen. Veel kinderen. Veel liefde. Christenen die hun ogen dicht doen tijdens het zingen. Heerlijk. Het voelde als een warm bad waar duizenden engeltjes in plassen.
Ik werd gegrepen door een meisje met grote borsten in een wollige trui. Eerst omdat ze haar armen omhoog strekte om de heer, haar herder, te raken. Daarna om die grote borsten te pletten om de heer, haar herder, te omhelzen en in haar hart te sluiten.
Toen ze haar ogen opendeed, keek ze naar mij. Met waterige ogen. Ze huilde. Zo leek het. Maar het was zo’n glimlach-huil. Ze murmelde iets, terwijl ze me aan bleef kijken. Ik keek om me heen, omdat ik niet dacht dat ze het tegen mij had. Maar er stond niemand in mijn omgeving. Alleen ik en mijn zoon- die die dag vier jaar was geworden en krampachtig mijn hand vasthield.
Ook nadat een man in een microfoon een paar keer had geroepen dat de heer uw herder is, bleef ze me aankijken. Haar hoofd een beetje naar links gebogen. Ik glimlachte. En toen knipoogde ze.
Maria Magdalena.
Dat was het.
Ook zo’n glimlach. Ook die devotie. Maar als zij de hoer van Magdala is, ziet ze in mij haar herder. Ik. Jezus Christus. Ik voelde me helemaal warm worden. Het zou natuurlijk zomaar kunnen. Ik, de herder. Ik heb ook wel eens iemand die Lazerus was overeind geholpen. En ik heb ook blauwe ogen.
Het idee liet me niet los. Ik, Jezus Christus. Dus vroeg ik het – toen we weer buiten wandelden en de brute herfst in ons gezicht blies - aan de jarige of ik misschien Jezus kon zijn. Maar Lucas was duidelijk. ‘Nee, jij bent pappa.’
Hatseflats.
Ik was trots op mijn schepping.