Dat het ‘linkse’ failliet is, is evident. Het imago is beschadigd. We kunnen het niet zuiver houden.
Vroeger was het heel simpel. Links was goed. Rechts was slecht. Voor je linksigheid kwam je uit. Dat schreeuwde je. Dat zette je op spandoeken. Links ging over een eerlijke, gelijke en vrije samenleving. De jaren zestig was een linkse revolte. Gelijke rechten voor mannen en vrouwen was links. Links was voor vrede. Links was voor liefde (altijd, overal en met iedereen).
Rechts stond voor kapitalisme. Voor macht aan de elite. Voor oorlogvoeren. Mensen doden. Autorijden. Maar ook de geranium is rechts. De mensen die er achter zaten ook. De driezitsbank. De vitrages van je doorzonwoning. Allemaal rechts.
Maar dat is voorbij. Nu komt rechts op voor gelijke rechten tussen mannen en vrouwen. Rechts valt een dogmatisch geloof aan. Rechts stelt bestuurlijke spaghetti, aan de kaak, terwijl links zich moet verdedigen tegen het pluche-plakken.
Alla. Links Rechts.
Wie is links? Wie is rechts? Wilders stelt zich hard op als het gaat over de verhoging van de AOW-leeftijd. Hartstikke links dus. Maar hij is ook hard als het gaat over immigratie.
Een dergelijke vergelijking wilde ik ook over Pechtold schrijven. Maar wat vindt D66 eigenlijk? Pechtold is vooral tegen Wilders. Een soort one-issue-partij. In die zin heeft Rutte natuurlijk gewoon gelijk. Pechtold en Wilders houden elkaar in stand. Ze stuwen elkaar op. De racist, fascist tegen de handlanger van Mohamed B. Allemaal voor de bühne. Allemaal ronkende kettingzagen die brullen, maar niet zagen.
Ik word van allebei niet vrolijk. De leegte hebben ze allebei in de etalage staan. De ijdelheid. De verontwaardiging. De welbespraaktheid. Inderdaad, het zijn vrindjes. Met regelmaat komen ze bij elkaar om de strategie te bepalen. Als jij mij nou een fascist noemt, noem ik jou een gladde aal. Worden we allebei rijker van.
Over de problemen zelf gaat het niet, alleen over de kleur van de modderballen.