Vanochtend waren we de schapen aan het zoeken die bij de kerststal horen. Om zeven uur ’s ochtends zat ik op zolder in de kerstmand te graven om de houten schaapjes te vinden. Alle kleuren ballen. Een piek. Een engeltje. En de kerststal. Elke keer als we een schaap, een herder, een ezel, Maria of Jozef vonden, begon Lucas te juichen.
Toch merkwaardig. Zijn verjaardag ging nog grotendeels aan hem voorbij. Sinterklaas maakte al meer impact. Maar Jezus spant toch echt de kroon. Hij is begeesterd, alsof God in zijn lichaam is gevaren. Het zal niet lang meer duren of hij eist dat hij mag bidden aan tafel.
Maar voorlopig is er vooral verwarring. Hij vroeg bijvoorbeeld wie God was. ‘Dat is de pappa van Jezus.’ Maar dat klopte niet, volgens hem. Want dat was die timmerman, Jozef. 'Die is papa Jezus'.
De tweede verwarring was toen hij de paasmand (die naast de kerstmand op zolder ligt) zag en vroeg wat dan Pasen is. Toen ik uitlegde dat Jezus met Pasen opstond, nadat hij eerst dood was gegaan’, keek hij me aan alsof ik gek was. Dat kan niet. 'Als je dood bent, moet je liggen.'
Tja.
Zit wat in.