Ik ben gek op die lichte melancholie. Die sombere gedachten. Eenzame blues. Die ogen die aanvoelen als watten. Dat lichaam dat verlangt naar een zachte massage van een poltieagente - die even daarvoor haar mountainbike tegen de gevel had gezet.
Zachte massage? Ik denk ineens weer aan mijn moslima. Want dat deed ze vaak, mij masseren. Voor zover ik me herinner hebben we een paar keer een hele dag onder de dekens door gebracht. Heerlijk. Geen tv. Geen radio. Zelfs geen muziek. Alleen de moslima en ik. De rest van de wereld was ver weg. Ik geloof zelfs dat Allah ons toen niet gezien heeft.
Ik heb het daarna nooit meer gedaan. Dat cocoonen. Dat opsluiten in je kamer om de dag als ‘een vreemdeling zeker, die verdwaald is zeker’ langs je huis te laten gaan, zodat je de volgende dag weer fit was.
Wij hadden dat samen. De moslima en ik. Samen in bed. Ik maakte de mooiste poëzie terwijl ik op haar schoot lag en omhoog keek, naar haar, haar zwarte haar, haar lichte glimlach. Ik heb het alleen nooit opgeschreven.
Dat was sowieso de tragiek met de moslima. Samen waren we alles. Maar het mocht niet opgeschreven worden. Het mocht niet bestaan. En dus bestond het niet.
Het feuilleton:
Hier: Liefdesbrief aan de moslima
Hier, deel 2, Nog een keer de Moslima
Hier, deel 3, de dag dat ik moslim werd
Hier, deel 4, de drinkende moslima
Hier, deel 5, God als webcam
Hier, deel 6, Gehoofddoekte string
Hier, deel 7, de schuldige rug
Hier, deel 8, zondagavondmoslima
Hier, deel 9, Marokkaans fruit
Hier, deel 10, de geslagen moslima
Hier, deel 11, boodschappende moslima