Laatst sprak ik een groep hangjongeren aan. Of ze hun lege flesjes op wilden ruimen. Dat was echter niet hun schuld. ‘De politie zet geen vuilnisbakken neer.’ Dan neem je het mee naar huis. Maar ook die vlieger ging niet op. ‘Normaal gooien we het altijd netjes in de bosjes…’ Tegen zoveel logica kon ik niet op.
Op de radio hoorde ik een groep hangjongeren die niet tevreden was over het door een blije wethouder aangelegde voetbalveldje. ‘Leuk. Maar waar moeten we heen als het regent?’ Daar had de wethouder niet van terug.
We zijn ‘zij’-zeggers geworden. ‘Zij daar.’ Die mensen ‘boven ons’. ‘In die torentjes.’ Die mensen die niet met hun ‘poten in de modder staan’. In gesprekken over hangjongeren hoor vaak dat ze gediscrimineerd worden. Geen stageplek. Geen respect. Daarom hangen ze. Daarom zijn ze vervelend. En daarom slopen ze. Dat is dus onze schuld.
En dan met name de schuld van de politiek. Daar verwacht de burger kennelijk veel van. En de politiek zelf zal de laatste zijn om dat te ontkennen. In werkelijkheid heeft de politiek maar minieme invloed op ons geluk en het zou goed zijn als de politiek dat erkent: ‘U moet het zelf doen.’
Maar dat is ingewikkeld. Nu de campagnes voor de Gemeenteraadsverkiezingen losbarsten, roepen de partijen weer om het hardst dat als je op hen stemt het veiliger, groener, vrolijker en vrijer wordt. Wat ze eigenlijk zeggen: stem op ons en wij maken u gelukkig.
Vervolgens katten ze alle andere partijen af. Met name Geert Wilders en Alexander Pechtold zijn de sterren van de verongelijkte burger. ‘De politiek is vies en vunzig’, zei de D66 leider. ‘Het moet niet gekker worden in dit land’, zegt Mozart continu. Met andere worden: Hunnie zijn gek. Wij zijn de goeiste.
Nou ben ik zelf ook weer aan het klagen. Verdomme. Ergo. Ik ben van het ergste soort. Ik twitter, twatter, twotter de hele tijd dat het allemaal vreselijk is. Maar als de politiek me roept, ben ik niet thuis. Naar mannetje ben ik. Of zoals een goede vriend altijd zegt: een jammer mannetje.