“Het spijt me, mam. Ik ben ziek.” Het was 2001. Ik sloeg het traditionele kerstdiner bij mijn ouders dat jaar over. De moslima en ik hadden ons eigen kerstdiner. Ook zij was via een web aan leugens twee dagen in mijn kamer met uitzicht op de Westertoren. Zij las de bijbel. Ik las de Koran. En tussendoor deden we dingen die in beide boeken verboden zijn.
Mijn huisgenoot ging de deur uit. Hij wel. Hij ging naar zijn schoonfamilie, ergens in een gehucht in Drenthe. Hij keek, zoals hij gekleed was, somber en netjes. Zijn overhemd had nog de scherpe vouw in het midden. Ik attendeerde hem op het kaartje in zijn nek. Hij was net zo’n grote liefhebber van kerst en familiediners als ik. Maar hij had een vriendin die het ‘belangrijk’ vond, om dat één keer in het jaar te doen.
Wij niet. Kaarsjes. Een kleine kerstboom. En rode wijn. Alles straalde uit: de wereld is van ons. En wij zijn van de wereld. Wellicht was het too much. Want de moslima begon onbedaarlijk te huilen. En daarna te schelden. Ons samenzijn was immers ‘één grote leugen’.
(…)
Na de stilte
Blies ik de kaarsjes uit
Na een lege blik
Keken we niet meer.
Toen voelden we.
En dat was het mooie aan die kerst. We voelden dat het goed was. De here Jezus geeft aan alle mensen een ‘weltevree’. Zijn geboorte was ook bij ons - 2000 jaar daarna - een hoogtepunt.
Gepost op: 10:14 - 23-12-2009 |
|
|
|
Reacties op dit bericht (3) |
|
|