“Wij zijn allemaal amateurs.” De uitspraak is van Job Cohen. Hij zei dit tegen de commissie die hem ondervroeg over de Noord-Zuidlijn. Hij blijft rondspoken, die zin. Elke keer als je langs de Noord-Zuidlijn fietst, hoor je hem opstijgen uit de modderpoelen. Hij staat gekalkt op de scheefhangende woningen naast maison Descartes. Een Duitse arbeider neuriet het. Op het CS fluit de conducteur dit riedeltje op zijn fluit.
Hij had het nooit willen zeggen. Denk ik. Job Cohen was vooral de tefal-burgemeester. Alles gleed van hem af. Als hij een misser had, vergat je het snel. Ook als een collega een fout maakte, straalde dat niet op hem af.
Toch vrees ik dat deze blijft hangen. “Wij zijn allemaal amateurs.” Hij is ook zo mooi. Je ziet Cohen in een sportbroek en een Ajax-shirt in de ArenA. Je ziet hem zingen in het concertgebouw. Je ziet hem achter één van de laatste ramen op de wallen. De amateur. Hij die dingen doet die hij eigenlijk niet kan.
Je kunt vinden wat je vindt, maar Cohen is geen amateur. Raadsvergaderingen leidt hij gedisciplineerd. Een debat wint hij altijd. Zijn rustige stem overtuigt. Zelfs de lege slogan ‘de boel bij mekaar houden’ verhief hij tot poëzie.
Maar dan ineens die fout. “wij zijn allemaal amateurs”. Je ziet Geert Wilders lachen (‘jullie wel’). Hoe kan hem zoiets gebeuren? Dit komt niet meer goed. Hier strandt een briljante carrière. Vanwege een woord: amateur