Hij ging nergens heen. Hij kwam ook nergens vandaan. Dat was ook het mooie aan zijn leven. Hij was er nu. Hij had ook geen naam. Toch kwam ik hem vaak tegen. Dan groetten we elkaar.
Ooit botste ik keihard tegen hem aan in de Kinkerstraat. Ik rende met een boek van Remco Campert en hij stond ineens voor me - met zijn straatkrant. Het boek viel door de botsing op straat. Hij keek er even naar. En toen naar mij. ‘Campert’, zei hij bewonderend. Ik vroeg of hij hem kende. Hij lachte daarop een cynisch lachje en sloot af met ‘wie niet?’ Toen liep hij door.
De keer daarna glimlachten we. Ik kwam hem tegen bij de Albert Heijn onder het museumplein - daar waar Remco Campert zijn boodschappen doet. Ik kwam hem tegen bij de ArenA. Bij het gesloten Stedelijk Museum. We groetten. Meer ook niet.
De laatste jaren zag ik hem niet meer. Af en toe dacht ik aan hem. Hij was een vriend, vond ik. Eigenlijk had ik met hem willen praten. Gewoon over Ajax. Over Albert Heijn. Over de politiek. Of over Remco Campert. Dat is er nooit van gekomen.
Vorige week zag ik hem ineens. Althans, daar twijfel ik nu over. Hij reed namelijk in een fonkelrode sportwagen. Hij stond stil voor het stoplicht op de Koninginneweg. Ik stond er met mijn fietsje naast. We keken elkaar even aan. Voordat de herkenning was ingedaald, scheurde hij weg.
Gepost op: 22:40 - 03-01-2010 |
|
|
|
Reacties op dit bericht (1) |
|
|