
De Amsterdammer van het jaar. Lezers van Het Parool kiezen elk jaar ‘een held’. Meestal iemand die goed is voor anderen. Die iedereen begroet. Die – ook na 120 overvallen – het pistool van diens belager kust. Ik heb de lijst bekeken, maar ik word er niet warm van.
Wie mis ik? Ahmed Marcouch. Man van pieken en dalen. Hoog over de bergen liep hij. Hij keek omhoog. Hij zag alleen God nog, zo hoog was zijn ster. En ineens. Zomaar. Op een namiddag in december wordt hij naar beneden gehaald. Door een timmerman. Ahmed Baadoud. Geen hoogvlieger. Wel iemand die vanaf de grond hoog kan schieten.
Marcouch was de man waar alle PvdA’ers mee op de foto wilden. Zijn lieve glimlach. Zijn hand op je schouder. Zijn woorden die warm waren, maar soms ook koud als ijs. Woorden waar je over nadacht. Die prikkelden.
Hij is de enige Amsterdammer die ik zou voordragen. Maar dat is omdat ik van drama houd. Van teleurgestelde gezichten. Van bijtende lippen. Van hangende hoofdjes. Daarom hou ik ook van Robbie Oudkerk. Ook zo’n gevallen ster. Hij weerstond in Amsterdam de Fortuynistische golf. Hij was de held. De gewone goocheme gast. Maar Robbie verneukte zichzelf. Zijn ster kledderde hard op het natte wegdek.
Net als Robbie gaat Ahmed ook een boek schrijven. Hij dreigt met een eigen kieslijst. Maar zal vervolgens met een paar goede boeken achter de geraniums verdwijnen. Helaas.