 Sulejmani speelde bij Heerenveen de sterren van de hemel. Een zeldzame diamant. Bij Ajax lijkt het echter alsof hij dingen niet ziet. Of dat hij ineens met een andere bal voetbalt. Alsof zijn bal vierkant is. Datzelfde geldt voor Wielaert. Bakircioglu. Lindgren. Sinds ze in de ArenA spelen, zwemmen ze. Alsof ze met lood in de schoenen spelen.
Afgelopen zondag werd het 1-1. De titel is verder weg dan ooit. Terwijl ‘het materiaal’ toch toereikend moet zijn voor iets moois. Met Suarez. Met Aisatti. Maar nee. Ajax speelt bij vlagen geweldig. Maar daar blijft het bij. Clubs uit de provincie winnen. AZ vorig jaar. Twente dit jaar. En PSV, volgend jaar.
En daar zit de crux. Het is dat provincialisme dat Ajax ontbeert. Je moet terug naar de boerenkool. Naar de Fiat Panda. Naar ‘doe maar gewoon’ en meer van die tegeltjeswijsheden. Voetbal is namelijk simpel. Eigenlijk. Dat moet je niet ingewikkelder brengen dan het is. En dat gebeurt bij Ajax wel. Alles is groot. Veel goud. Veel felle kleuren. Veel plastic.
Ik heb ooit een rondleiding in de Kuip gekregen, bij een andere provincieclub, Feyenoord. Daar is de reservebank van hardhout. Niet van die luxueuze vliegtuigstoelen, zoals in de ArenA. Nee, een slecht geschilderde plank. Keihard. Je moet er namelijk niet lekker op zitten. Je moet er af willen. Je moet willen spelen. Kijk. Dat kunnen wij van die Rotterdammers leren. Niet verwennen. Prikkelen. Daar gaat het om.
Deze column verscheen eerder in De Echo
Gepost op: 15:09 - 22-01-2010 |
|
|
|
Reacties op dit bericht (1) |
|
|