En dan moet je je voorstellen dat mijn liefdevolle autootje bij een school geparkeerd staat waar - op het moment dat ik vertrek - honderden moeders staan die hun kinderen vaarwel zwaaien. Als ze dan iemand met zijn nette pak en stropdas via de achterklep een veel te klein autootje in zien rommelen, hebben ze geen aandacht meer voor hun kinderen.
Als ik vervolgens mijn liefdevolle autootje start, overstem ik direct al die kinderstemmetjes. Hij is nog koud. Ook vliegt er zoveel rook uit mijn uitlaat, dat je ieder moment Hans Klok verwacht, die vanuit de rook wat duifjes naar voren tovert.
Als ik dan weg wil rijden, is mijn raam alweer beslagen, zodat ik bijna tegen de laatkomende moeder met haar bakfiets aanrijd. Ze kijkt mij woedend aan. Maar als ze mijn liefdevolle nep-Fiat Pandaatje nog eens bekijkt, ontdooit ze weer.
De blikken die mij op mijn verdere pad volgen, zie ik gelukkig niet meer, want de achteruitverwarming doet het niet. Maar wat geeft het? Mijn autootje rammelt lekker verder. En de koning die daar er in zit, is op dat moment een gelukkig man.