‘Mijn drijfveren om de politiek in te gaan, zijn voor een deel terug te leiden tot waar ik vandaan kom.’ Dat schrijft Lodewijk Asscher in zijn jongste boekje ‘De ontsluierde stad’. Dat zijn mooie openingen. Vol van pathos. Vol offers. In de Volkskrant zei hij al dat hij niet Ischa Meijers jongentje wilde zijn ‘die alles goed moest maken’. Dat klopt. Zijn drijfveren komen namelijk ook ergens anders vandaan. Die zitten diep in hem. Ergens tussen de navel en het strottenhoofd. Een recensie
Hij ontdekte ‘iets’. Hij merkte dat je verder kunt gaan waar anderen blijven zitten. Altijd ‘blijven streven naar het moeilijke, niet alleen het haalbare willen doen.’ Dat tekent hem. ‘Er is één belangrijke parallel tussen de aanpak van de Wallen en het onderwijs. De situatie is slechter dan veel mensen denken, en iedereen doet alsof er niets aan te veranderen is.’ Dit is de meest cruciale zin. Ergens tussen 2006 en 2010 zag hij het licht. Hij accepteert het niet als iets niet kan. Net zo min als hij een ‘ja maar’ accepteert. Dat ‘niet accepteren’ duwt hij er overal in. Vaak met succes.
Hij schreef zijn boek tijdens de ‘gestolen uurtjes’. Tijdens vergaderingen. Op het strand. Als Boaz en Abel slapen. Als hij bij Yab Yum in bad ligt. Even hatseflats een paar regels op papier. Over het wethouderschap schrijft hij dat ‘de belasting gigantisch’ is. Maar dat gelooft niemand. Je hebt soms het gevoel dat Asscher meer tijd heeft dan andere mensen. Het gaat hem zo makkelijk af. Hij doet alles. Hij kan alles. En niks mislukt. Dan hebben we het niet eens over de persoon zelf. Want het is ook nog eens een aardig mens. Voor iedereen maakt hij een buiginkje. Een klop op de schouder. Een glimlach (met de ogen dicht).
‘Wat ben je toch eigenlijk een vreselijk mannetje’, sms’te ik hem na weer zo’n juichend interview. Hij sms’te terug: ‘inderdaad, van zo’n man ga je toch niet houden’. Hij weet het zelf. Hij is braaf. Als hij een ‘hoerenmadam’ spreekt, kijkt hij haar in de ogen en glijdt zijn blik niet weg. Hij schrijft wel over Whiskey – die hij met Zalm drinkt. Maar echt ladderzat wordt hij niet. Daar is hij te serieus voor. ‘Ik rekende net zo lang sommen na tot ik iets vond.’ Die instelling heeft hij. Hij wil ‘een brandend gevoel hebben’ en ‘nooit denken dat je erbent.’ Hij voelt de ‘morele plicht’ het ‘geboefte’ te bestrijden en de kansarmen te ‘verheffen.’
Het boek is op onderdeel ingedeeld. In de meeste hoofdstukken zit hij stevig. Is-ie hard. Is-ie duidelijk. Schiphol bijvoorbeeld. Of De Wallen. Of het Onderwijs. Dan slaat hij met zijn vuist op tafel. Hij wijst. Hij geeft richting. Maar op twee onderdelen is hij minder stellig. Ten eerste de integratie. Hij haalt Turkse meisjes aan die onder een groepsdruk uit willen komen. Hij haalt Paul Scheffer aan. Maar meer ook niet. Echt de sluier afrukken doet hij niet. Hij vindt het maar ingewikkeld, die integratie. Dat is duidelijk. Hij stelt vooral veel vragen. De antwoorden geeft hij nog niet.
Hetzelfde geldt voor zijn eigen partij. Dat is ‘de enige partij’ waar hij lid van kan zijn. Maar geen woord over de strubbelingen, de schandalen, die hij vaak aanschouwt. In zijn eigen fractie. In Zuidoost. In Slotervaart, het stadsdeel van Marcouch. Daar brandt hij zijn handen niet aan. Misschien terecht. Maar toch. Als hij de komende jaren echt die sluier wil afwerpen, moet hij ook deze twee onderwerpen stevig bij de ballen grijpen. Wij zijn dan ook benieuwd naar zijn boek in 2014.
Deze recensie verscheen eerder in het ledenblad van de PvdA
Gepost op: 22:50 - 14-02-2010 |
|
|
|
Reacties op dit bericht (2) |
|
|